is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 8

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALINE EN CELESTE , ENZ.

Haar zuiv're, haar verfijnde fmaak,

Genoot onfchuldig zinvermaak, Maar koos beftendig heil, voor bonte waterbellen.

Geen ramp Hoorde ooic celeste's rust;

Zij bleef van haar geluk bewust; En 't nooit vervalscht gevoel deed haar den boezem zwellen.

Celeste's altijd edel hart

Deelde in der droeven leed en fmart;

Zij juichte waar ze een' traan des jammers af kon droogen. Ontbrak tot helpen haar de kracht: Ook dan, dan werd nog 't leed verzacht,

Door liefdevollen troost en weenend mededoogen.

Haar fchoone ziel pronkte in 't gelaat,

Als 't fchem'ren van den dageraad, Wiens rozenkleurig licht natuurkracht voedt en prikkelt.

Haar bloeijende bevalligheid

Verdween in zachte majefteit, Want uit het waas der jeugd werd eng'len waarde ontwikkeld

Celeste lachte 't flerfuur aan;

Haar taak op aard' was afgedaan, Haar werken vormden haar een' krans uit hooger leven.

Daar wachtte zij het heerlijkst loon,

Haar jongde fnik was de eerfte toon Des rainen lofzangs, door verlosten aangeheven. —

Kies, kies, celeste's heerlijk'lot,

Mijn dierb're Nicht! en 't reinst genot Zal, als Gods wellustbeek, uw levenspad omvloeijen.

Geluk, op ware deugd gegrond,

Blijft, tot in 's levensavondftond, Ja blijft in de eeuwigheid, voor u, onwelkbaar bloeijen.