Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IN BETREKK. TOT DE GEDAANTE DER LANDSCHAPPEN. 68/

elzenboomcn, die hem, door hunne grootte en zwaarte, aan die van zijn vaderland, Zweden, herinnerden. De ahornboom groeit in dit laatstgenoemde land tot de zelfde volkomenheid, die hij op de Zvvitferfche Alperi bereikt, en die niet gemeen fchijnt in de meer gematigde en vlakke deelen van Europa, welke tusfchen die beide landen in het midden liggen. „ Nergens" getuigt zeker beroemd reiziger, ,, heb ik fchoonere en groo,, tere kwalfterbezie-boomen gezien, dan in Zweden" en hij voegt er bij, dat hij er even zoo goede eiken, beuken, elzen en esfchen gevonden heeft, als elders. De berk groeit in Lijfland wel voor de helft hooger, dan in Duitschland. Zoo uitgebreid als het nut is, dat deze boom den Noord-Europeè'rs aanbrengt, zoo verwonderlijk ver gaat er ook deszelfs verfpreiding, en hij houdt het uit tot op de befneeuwde hoogte van Lapland, waar hij evenwel flechts een boompje van eenige duimen wordt.

Met den lindeboom is het anders gelegen. Hoewel de woudboomen in de oostelijke deelen van ons werelddeel, ten minfte in verfcheidene zeer groote Rusfifche wouden , grootendeels dezelfde zijn , als die wij in het noorden van Europa hebben leeren kennen , moet evenwel bij eerstgemelde gewesten de lindeboom niet vergeten worden. Menigvuldig groeit deze boom langs een gedeelte van de oevers der Wolga en der Karna, en ook in Polen. Zeldzaam daarentegen is dezelve in Zweden en in Lijfland; zeldzaam is bij ook in Italië. Het midden van Europa fchijnt best met zijne geaardheid te ftrooken. In het binnenfte van Frankrijk heeft hij op foir.mige plaatfen een zeer welig aanzien.

De populier wordt ook in die bosfchen van Rusland gevonden. Men vindt dezen boom zelfs om. Petersburg; maar reizigers y die denzelven aldaar gezien hebben, en die vervolgens hunnen weg door Duitschland naar Italië nemen, bemerken, hoe deszelfs vorm trapswijze fraaljer en aanzienlijker wordt.

De linde- en de olmboom verfieren 'onder meer andere boomen, de naaste omltreken van verfcheidene otizer fleden. Denne-bosfchen verheffen zich van meer dan eenen kant op de zuidelijke grenzen van onze noordelijke provinciën, en in de zuidelijke groeijen alle of ten minfte de meeste der reeds genoemde boomfjorten, in zoo verre zij de verwoesting der laattte oorlogstijden

over-

Sluiten