is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1819 (Mengelstukken), no 15

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ff* AAN GOD..

Wie? — gij, o God! Gij doet onz' aardbol

Geregeld went'len in zijn baan. $ij 's werelds vorming fpraukt Ge, en glanfen

Ontfluijerden den Oceaan. Daar ftond hij, met zijn trosfche golven

Geboeid aan 't heerlijkst everiwigt; De nacht lag in zijn' fchoot bedolven, £ijn fchuim verkeerde in 't ftuivend zilver,

Bemaald door 't nieuw gefchapen Jicht.'

Gij riept de zon — daar fleeg zij ichitt'rend

Aan de oostkim, als een bol van vuur, En rozehverw en goud omvloeiden >

Vol majeiteit, het blaauw azuur. Gij riept den nacht, en 't vreedzaam duister

Werd als een luchtig kleed gefpreid, Uw magt ontftak der darren luister, Gij riept de maan, en 't zilv'ren fchijnfe!

Poprftroomde alom de donkerheid.

Gij fpraafet, en fchaduwrijke bosfchen

Weêrgalmden door 't veelflemmig lied Van duizend duizend vog'len koren,

Wier vreugd uw goedheid hulde biedt. Uw geest, die op de wat'ren zweefde,

Gebood, vol kracht, vol majeiteit; Des afgrond? donk'ra boezem beefde; Straks was heel 't zwemmend heer gebaren,

En juichte iti zijne aanwezepdheid.