is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 1

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vit eene réis van linneus. SS

y te voren aangetroffen bad, én die mij van tijd tot tijd ongemeen vermaakt hadden, waren hier in het „ klein voorhanden, maar tegelijk in eene zoo groote „ menigte, dat ik er van verbaasd ftond.' Hier, dij derzelver (randplaats, werden deze gewasfen door linneus belchreven en benoemd, en hij maakre ook van fommige zeer treffende teekeningen. Deze hooge bergen, van welke de ééne op den anderen geftapeld ttaat, toonden voldrekt geene blijken van vulkanisch vuur, maar waren bedekt met eene ibtfit van tetfteefien. Noch kruid, noch boom groeijen op deze hoogde deelen der Alpen hooger, dan een vierendeel van eene el,hoewel dezelfde loorten in de dalen, hier cn daar tot drie of vier voeten opwasfen. -Men ziet de berken, die hier evenwel maar zeer dun verfpreid zijn, op fommige plaatfen in den grond kruipen, zoodat er dechts de toppen hunner takken hier en daar een vierendeel els uitdeken. '■

Drie dagen over deze Alpen gewandeld hebbende,gevoelde linneus de ukerde vermoeijenis, en ontdekte hij met het grootfte genoegen eene Lapiandfche hut,Waatiii hii dan ook eenen. geheelen zondag Uitrustte, en vele 'belangrijke aanmerkingen over de natuurlijke gefchiédenis van het rendier maakte.' „Ik vond mij „ getroffenzegt hij, „ door de ongedoorde gemoeds,, rust, welke ik de bewoners van dit weinig begun„ digde land genieten zag. Nadat zij hunne rendieren 9, gemolken, de wouwen hare kaas gemaakt, en de j, nieuwe melk tot de behoorlijke dikte hebben laten „ verkoken, gebruikt men zamen een eenvoudig maal, „ én dan legt men zich neder, om dien gezonden flaapl ,, te genieten, die het loon en een bewijs van hun onfchuldig leven is." De groete tusfchen verwanten bedaat nieten kusfen, maar in de neuzen onderling m aanraking te brengen. De vrouwen roóken hier zoowel taoak, als de mannen.

Op den'nden Julij reisde linneus verder , Om óvêr de altijd met fneeuw en ijs bedekte toppen te trekken.. Hier werden niet meer gezien die bekoorlijk begroeide plaatien, welke tot dus verre zoo aangenaam t»s„ fchen de fneeuw der Alpen verdrooid lagen. Al „ het land was nu 'eene verblindende fneeuw woestijn.'* De eenige vogel, dien linneus hier ontdekte, was dé piepert, eene "foort van plevier (Charadrius /liaticula.y meng. 1820. NO* i. G Hij