is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j5en groot bevorderaar der kerkhervorming. 1SI

erasmus. En hij is ook zekerlijk de oorzaak van deze aangenomen gewoonte.

gaspar. Hij is de oorzaak van alles goeds, doch of hij zelf die biecht ingefteld heeft, zoo als die nu bij de kerk in gebruik is, laat ik de godgeleerden beflisfen: het gezag der voorvaderen is voor mij, die een kind en onwetend ben, in dit ftuk voldoende. Dit toch is gewisfeüjk de voornaamfte biecht, en het is geene gemakkelijke zaak, om aan Christus te biechten: want niemand kan aan hem biechten, dan die van harte zijne zonden haat. Aan hem belijde ik, voor hem beween ik, indien ik in het een of ander zwaarlijk heb overtreden; ik roep, ik fchrei, ik ween, ik verfoei mij zeiven, roep zijne barmhartigheid in, en fcheide niet eer uit, voor ik gevoel dat de trek om te zondigen uit het binnenfte mijuer ziel uitgezuiverd is, en dat ik, in eenige daarop volgende rust der ziele, en vaardigheid ten goede, het bewijs der vergevene misdaad befpeur. Maar wanneer de tijd er mij toe uitnoodigt, dat ik tot de allerheiligfte tafel van het ligchaam en bloed des Heeren nader, dan biecht ik ook aan den priester; doch doe dit met weinige woorden, en ontdek hem nies, dan hetgeen, wat mij zeker toefchijnt zonde te zijn, of zoo iets, dat bij mij onder een hevig vermoeden Jigt van misdadig te wezen. Evenwel houde ik. het niet aanftonds voor een' gruwel, dat is voör eene vreesfelijke misdaad, wat tegen fommige menfchelijke inftellingen bedreven wordt, indien er maar geen kwaadwillige verachting van dezelve onder loopt. Ja zelfs houde ik naauwelijks iets voor eene hoofdmisdaad, ten ware er boosheid, dat is, een .verkeerde wil, mede vergezeld gaat.

erasmus. Ik prijs u, dat gij zoo Godsdienftig zijt, zonder nogtans bijgeloovig te wezen. Hier ook meen ik komt het fpreekwoord te pas: „ noch alles, noch overal, noch voor allen."

gaspar. Ik kieze mij zulk eenen priester, aan wien ik de geheimen van mijn hart veilig toebetrouwen kan.

Erasmus. Dat noem ik wijs zijn. Zeer velen doch zijn er, hetgeen gebleken is, die, wat zij in de biecht hooren, weer uitlappen. Sommigen zijn ondeugend en fchaamteloos, die den biechteling naar dingen vragen, welke het beter was gezwegen te hebben. Er zijn ongeleerden en onverftandigen, die om vuil gewin, eer H 5 het