is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 4

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ADELEIDE EN TORSTENSKIOLD. iSf

gastheer en zeide tot hem; ,, Ik dank u, vriend! „ maar ik wil uwe vriendfehap niet misbruiken. Gij

zijt een onderdaan, gij bekleedt een openlijk ambt, „ vervul gij uwen pligt jegens uwen vorst en de wet„ ten des lands. Ik geef mij vrijwillig aan u als ge„ vangen man over; ik weet, dat ik verloren ben; „ maar ik wil mij met de hoop troosten, dat mijn on„ geluk wettig": een middel tot verdere bevordering van „ mijnen grootmoedigen vriend zal zijn."

Doch silverstolpe riep misnoegd uit: „ Voor geen

geld in de wereld zou ik er toe kunnen overgaan, „ om de pligten der vriendfehap , der dankbaarheid en

der gastvrijheid te fchenden. In den grootlten glans „des geluks zonden mij eeuwig inwendige verwijten „ martelen."

„ Maar, indien u ook niets in uwe grondftellingen „ kan doen wankelen," hernam torstenskiold, ;,nog„ tans eischt zelfbehoud vaii, u, om mij der geiegtig,, heid over te leveren, gij zoudt anders mijne vlugt „ met uw leven moeten betalen."

„ O dat dit gefchieden konde," hernam silverstolie, ,, met welk eene vreugde zou ik mijn nood„ lot niet te gemoet gaan! Hoe fchoon is het, zich „ der vriendfehap op te offeren !"

„ Grootmoedige vriend!" riep torstenskiold uit: „ het zij zoo! — ik geef toe — het is billijk, fdat

de grootite deugd over de geringere de zege weg„ drage."

Hij opende hierop een kastje, < 1 haalde er eenen. dia. manten gesp uit, dien de koning eens van zijnen eigen hoed losgemaakt en aan zijnen lieveling gegeven had. ,, Neem dit als een gering- aandenken van mij aan, en „ herinner u daarbij uwen rondzwervenden vriend

TOttSTENSKIOLD."

Silverstolpe wendde zijne oogen en zijn hart van de fchitterende beproeving af, en wees het gefchenk edelmoedig van de hand. ., Waartoe een gefchenk ?" — zeide hij, — ,, roept mij niet alles uwe vriendfehap in

het geheugen terug? Zie ik mijne vrouw, omringen

mij mijne kinderen, zoo lacht gij in hun lagchen en ,, vervult mijn hart met dankbaarheid. Vaarwel! — uw

beeld is onuitwischbaar in mijn hart gegraven."

Zij fcheidden van elkander, en torstenskiold vlugt-

; te