is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 6

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ö7a LAND-EN VOLKSKUND. BERIGTEN VAN ZENDELINGEN.

fmerige ketels, waaruit het de Eskimo's opdisfen, kunnen zekerlijk den eetlust van Europeërs niet zeer aanzetten; maar de fmaak van dit vleesch komt, wanneer men hetzelve warm gebruikt, veel overeen rnet dien van osfevleesch, doch is, wanneer men er koud van eet, meer of min olieachtigs Voorzigtig evenwel en fpaarzaam dient er de vreemdeling van te nuttigen, omdat het eene verhittende kracht heeft, en, 's avonds ge. bruikt zijnde, zijne nachtrust ftoort.

Hoog, fteil, zonderling gevormd, en fchilderachtig vertoont zich het zuid-oosteinde der bergen van Nach~ vak. ïallooze fchareh van ganzen en ander gevogelte verhellen zich boven de ijzingwekkende fteilten, die een grootsch amphitheater vormen; en de rotfen, die eene opening tusfchen de bergen influiten, vertoonen zich als de ruïnen van een antiek gebouw, dat den groenen oceaan tot zijn grondvlak en den blaauwen hemel tot zijn dak heeft. Weiland ziet men Hechts in de dalen, en de voor de Eskimo's bijzonder nuttige wolverlei (arnica montana) groeit er in overvloed.

Bijna elke inham levert hier zalmforellen, 's Win. ters'blijven deze visfchen, even als de zalmen, in het zoete water van meren en rivieren , maar tegen de lente begeven zij zich in zee. De Eskimo's van Okkak en van Saeglek vangen dezelve bij den wiuter onder het ijs, door middel van fpiefen. Zij maken te dezen einde twee gaten in het ijs, elk ongeveer 8 duim in middellijn, 6 voeten van elkander, en in eene onderlinge rigting van het noorden naar het zuiden. Zij keeren den zonnefchijn uit het noordelijkfte gat, door langs deszelfs zuioer halfrond eenen ongeveer 4 voeten hoogen fneeuwdam op te zetten; vervolgens maken zij eenen, tweeden foortgeiijken dam aan den noordkant van de zuidelijker opening, en deze tweede dam dient om het zonnelicht in dit gat terug te kaatfen. Digt legt zich de Eskimo, wanneer hij wil visfchen, met zijn aange.» zigt neder bij de noordelijke ijsopening , en terwijl hij nu het water door in het zuidelijk gat teruggeworpene ftralen genoegzaam verlicht ziet, lokt hij de visfchen met zijne linkerhand, door een ftuk roode koord in het water »e laten fpelen, terwijl hij' aan de regter^ zijde de fpies bereid houdt, om dezelve, zoodra zij digt ge> noeg bij hem zijn, te fteken; en op deze wijze vangt hij er binnen kort zoo veel, als bij behoeft.

De