is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SLAAP HET BEELD DES DOODS. «93

j

gegeven, fpoedig keeren wij weder tot de vervulling onzer pligten, tot hernieuwd genot, —

Hoe treffend, mijne Hoorders! is dit niet het beeld des doods, zoo. als wij door rede en openbaring ons denzelven mogen en kunnen voorltelien ? Want, wanneer de dierlijke ademhaling des ligchaams ophoudt, wanneer wij ons aanwezen op aarde met den dood ein- ^ digen, dan hebben wij geenszins het doeleinde onzer beflemming bereikt, clan houdt ons beflaan niet te eenenmale op. De dood houdt ons niet voor eeuwig in zijne magt. Hij kan geene altoosddrende heerfchapüii voeren. Hier moge hij ons voor zijne magt doen bukken, hier moge hij met zijne fcherpe zeiSfen allen, die ooit geboren werden, voor zich nedervellen. Zijne prooi wordt hem zeker eenmaal ontnomen. Al wat leven heeft moge voor hem terug beven. de redelijke mensch zelf moge den afkeer, den fehrik tegen hem, in zijn gemoed ingeplant, niet te eenenmale kunnen afleggen, hij is echter voor hen, die hunne beftemming kennen, geen onoverwinnelijk fchrikkelijk dwingeland, wiens heerfcbappij alle eeuwen trotfeert. Neen, eenmaal komt het tijdftip, dat onze zielen zullen verlost worden van het geweld des grafs, eenmaal komt het uur, dat alle, die in de graven zijn, de algemeeue wekftem zullen hooren, en ten leven zullen op(ta<n. Fven gelijk de llerveling derhalve uit de weldadige lluimering des flaaps weder wordt opgewekt, zoo zullen ook allen, die hier op aarde door den dood zijn ontflapen, eenmaal uit hunne ruste ontwaken, eenmaal te eeuwigen leven opltaan. .

Dan dit is niet de eenige overeenkomst, mijne Hoor. ders! welke wij tusfchen flaap en dood kunnen opmerken. . , De^ flaap toch is voor den braven man, den vriend van deugd en Godsvrucht, eene verpoozing van zijnen arbeid, eene zachte aangename ruste. De booze moge, vervuld met angftrgë fchrikbeelden, eenige oogenblik-» ken influimeren, zijn llaap wordt oogenblikkelijk afgebroken, is vol van woeling en onrust. Het geweten, hetwelk hem wakende foltert, en pijnigt met angiten der helle verlaat hem nooit. Deszelts knagmgen n°uden bij den vijand van deugd en goede zeden nimmer op. Zij volgen hem in de eenzaamheid, wanneer hij r J ° f g net