is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

FRANS VOLRMAR REINHARD. 3aS

felredenaar) heeft hii in ziine Gefidndnisfen, S. 54,^ bet hoofddoel zijner leerredenen zelf opgegeven. „ Rondt gij" (zoo' fprak rkinhard tot zich zeiven) ',, op " den kanfel zoo fpreken, dat uwe rede een naauvïkeu' ris geordend, in al zijne deden vast verbonden, en ■ in de natuurlijkfte orde voortgaand geheel ware; " kondt gij altijd eene belangrijke (lof, die in eenen *' naauwen zamenhang met de gewigtigfte aangelegen" heden uwer toehoorders ftaat, en voor hun leven vruchtbaar is, behandelen; kondt gij dat zoo doen, dat gij iedere gedachte in die woorden inkleedde , " die dezelve in den ganfchen rijkdom der fpraak op " de naauwkeurigfle en trefFendlle wijze te kennen ge" ven ; kondt gij bijgevolg bij het onderwijs de be" vattelijkfte, bij befchr ij vingen de levendigfte , bij ' vr maningen de krachtigfle, bij waarfchuwingen de roerend/ie, bij vertroostingen de meest gerusttlellen" de uitdrukkingen vinden; kondt gij de taal zoo bezigen, dat iedere fchakering van denkbeelden, iedere " afwisfeling van gevoel, iedere rijzing der gewaarwcr. " dingen, door haar zigtbaar werd, en (leeds die zijde van het hart trof, die aangeroerd moet worden; " kondt gij eindelijk aan uwe rede eene volheid zon" der woordenpraal , eene welluidendheid zonder gekunlteld rhyihmus, geven, en haar ten gemakkelijke, " onbelemmerde, oor en hart tegelijk overvloeijenden ftroom doen zijn, zoo zou dit de welfprekendheid " wezen , die voor den kanfel gefchikt was; uwe voordragt zou duidelijk voor het vcrfmnd, door het geil heugen ligt te onthouden, voor het gevoel opwekkend, en voor het hart roerend zijn; gij zoudt van den Godsdienst met die hooge eenvoudigheid, met ' die edele waardigheid, en met die weldadige warmte ' fpreken, waar-rede men van denzelven fpreken moet. ' Dit denkbeeld van ware welfprekendheid, uit de , Ouden in het algemeen, en voornamelijk uit demos' thbnes en cicero genomen, is mij zoo eigen ge" worden, dat mij bij anderen Hechts datgene bevallen , kan, hetwelk met hetzelve overeenftemt; en dat het " in het vervolg het ideaal werd, hetwelk mij bij de ''bearbeiding mijner eigene leerredenen leidde." (*)

(*") Er kan ook wel geen zuiverder denkbeeld van wara welfprekendheid zijn. Had men dit denkbeeld (leeds in hec