is toegevoegd aan uw favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 11

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MYTHOLOGIE DER INDIANEN. 509

ïijkhèid fchitterden. Hij zeide hem , dat hij dé eerde aardbewoners had uitgeroeid, dewijl zij de wetten des boeks, hetwelk hij aan brammom, gegeven had, niet hadden gehouden. Hij gaf hem een boek, de fchaster genaamd. Het eerüe gedeelte van dit boek bevattede de zedelijke vdoxfchrïften; het tweede de ceremoniewetten. Het derde handelde over de verdeeling des menfchelijken geflachts in genootschappen of kiasfen.

Maar de menfchen werden,'in vervolg van tiid, zoo ondeugend, dat rudderi, op Gods bevel, de aarde, door eenen orkaan verwoestte. Brahma waarichuwde hen echter op Gods bevel, en bad voor heh, doch dit hielp niets. Brahma werd in den hemel opgenomen. Wischnu reddede den dam benevens eenige weinigen; maar ook dit gedacht vertoornde God door deszelfs zonden, en kudükri deed de aarde luren afgrond openen en allen inzwelgen, Evenwel werden er eehigen gered. Wischnu werd thans ook in den hemel opgenomen, Onder de geredden bevond^ zich kisny, dié zeer regtvaardig en loffelijk regeerde. Wij leven in dit vierde tijdperk der wereld. Eens zal de wereld door het element des vuuts verwpest worden.

Een Indiaansch wijsgeer is ongetwijfeld de uitvinder van dezen iMyihus, waaraan men verscheidene sebreken van zoo vele andere fabelen niet b'efpeurt. Dat de fchrijver geenszins ml zeggen, dat dit alles in eenen letterlijken zin de ware gefchiedenis der aarde zij is waarfchijnlijk. Dit verhaal is we! de gefchiedenis 'der aarde; maar het is in eenen dramatieken vorm gebrast omtrent zoo, als de Trojaanjche Oorlog, of de Reizen ■van ulyssus. De ronde getallen , de vier verwoestin. gen der aarde door vier elementen, de vier menfchen met vier temperamenten, die tot vier onderfcheidene foorten van beroep bedemd zijn, de drie tijdperken van brahma, vistnu en rudderi, de blaaspijp, waarvan God zich bedient, zijn keineekenen van verdichting. Anders is alles zoo duidelijk, zoo zamenhangende en vernuftig, dat deze Mythus zich zeer tot deszelfs voordeel boven andere onderfcheidt. De drie ondergoden of verdandige wezens brahma, vistnu en rudderi zijn, volgens het begrip des fchrijvers, gefchapene wezens, en geene Goddelijke perlonen of uitvloeifels. Dit gevoelen is ondertusfehen de heerfchende leer niet.

floLWEi, heeft het volgende verhaal. God deed

BRAH-