is toegevoegd aan je favorieten.

Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak, 1820 (Mengelstukken), no 11

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BE GEVARÈN DER MISLEIDING. 59I

'„ mijner zwakheden wezen. Maar dewijl wij toch aan „ het biechten zijn, zoo belijd ik u, en wel niet zon„ der eene foort van fchaamte, dat alles valsch aan „ mij was, zelfs mijn uitwendig gelaat."

Op deze woorden zag julia haren echtgenoot, verfchrikt en bevreesd, met eenen navorfchenden blik aan.

„ Ook uw uitwendig gelaat?" vraagde zij angftig.

,, Nu, het was toch niet geheel zoo als thans," hernam selchow, en glimlachte over de zigtbare ongerustheid zijner echtgenoote. ,, Zie mij maar eens met

oplettendheid aan. Zijn mijne vvenkbraauwen en ha-

ren nog wel zoo donker als voormaals? Dit komt,

dewijl ik dezelve niet meer uit ijdelheid verw, om „ een mannelijk voorkomen te hebben. —— Ik ichaarn

mij over de dwaasheid mijner jeugd en laat thans „ aan de natuur den vrijen loop."

Julia omarmde haren echtgenoot. „ Ach! ik wist „ niet, waarom ik 11 zoo beminde. Nu'zie ik den

grond daarvan in. Gij hadt niet de geringde gelijk„ beid met mij. Al mijne . ijdele vrees is verdwenen, „ en ik ben nu zeker van altijd gelukkig te zullen

„ zijn. f- De fiiozofen doen toch menige nuttige

,, ontdekking."

Selchow verzocht zijne gade hem deze raadfelachtige Uitdrukking te willen verklaren, en zeide, toen hij haar glimlagchende had aangehoord: „ Het is gelukkig,

dat de zaak zulk eenen keer heeft genomen; maar, „ bij uw grillig denkbeeld, hadt gij mij ligt den zak ,, kunnen geven. Ziet gij wel, hoe gevaarlijk zulke

delfels zijn ? " .

„ p ja, geliefde!" hernam julia; „ maar zulk eene ,s veinzerij is het niet minder."

Kk 5 NEY

I