is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 5]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEDENDAAGSCHE OORLOGSSCHEPEN.

55

ten hangen van de mate van dekking der bemanning tegen vuur, echter ook in verband met het tactisch belang van dit geschut zelf; immers betrekkelijk kwetsbaar kan men de bemanning van ieder stuk geschut noemen. Voor zoover de bewapening der bestaande en in aanbouw zijnde schepen aangaat, zal de grenslijn vermoedelijk tusschen de kalibers 12 en 7.5 cM. moeten vallen, voor de meest voorkomende gevallen.

Eindelijk dient een tweetal signalen te worden vastgesteld voor het geweervuur, b.v. te noemen:

.Fuseliers opkomen en vuren".

„Fuseliers vuur staken en zich dekken",

ingeval althans manschappen buiten de bemanning van batterij en licht geschut daartoe beschikbaar zijn. Maar zelfs, al zijn er zulke niet voorhanden, dan kunnen hiertoe benut worden de bedieningsmanschappen van het geschut aan die zijde, waar men niet slaags is, die van het licht geschut, dat tijdelijk belemmerd is aan het vuur deel te nemen, en die van gedemonteerde stukken, voorts de manschappen, geplaatst bij seinen, lood, anker, veiligheidsmat en electrisch zoeklicht, wanneer de omstandigheden hunne diensten daarbij niet vereischen. Als regel ware dus aan te nemen, dat al deze manschappen, desnoods na voorafgaande mondelinge aanwijzing, aan de seinen voor „fuseliers" gehoor geven. Bij verandering van ' de zijde waar men slaags is, dienen de manschappen, behoorende bij nog bruikbaar geschut, uit zich zeiven hunne posten te hernemen. Die van de andere zijde laden hunne stukken en brengen die zoo na mogelijk in de vuurpositie, komen daarna als fuseliers op.

Alvorens van de seinen af te stappen zij herinnerd, dat het sein van „klok kleppen" in het hedendaagsche geschutsgevecht geene beteekenis meer kan hebben, daar de manschappen achter de schilden der kanonnen beter gedekt zijn dan plat op het dek liggende; en aangestipt dat „brand" en „aanvaring" thans minder dan vroeger een sein noodzakelijk maken, aangezien de blusch- en lensmiddelen door het machinekamerpersoneel steeds in gereedheid kunnen worden gehouden, terwijl de manschappen daarbij aan dek benoodigd, door mondeling bevel op hun post kunnen worden geroepen, zoodat volstaan kan worden, buiten de genoemde seinen voor het vuur uit geschut en geweren, met b.v. „gong slaan" voor „klaar om te rammen" en „klok luiden" voor „alle hens aan dek met zwemvesten om".

Het gevaar van entering en daarmede de noodzakelijkheid om geschutpoorten te verdedigen, treedt bij hedendaagsche oorlogsschepen geheel op den achtergrond. Daarentegen is, zooals boven betoogd is, van het geweervuur veel partij te trekken, ook in een artilleriegevecht. Daartoe is het zaak, voor alle manschappen, die aan het geweervuur kunnen deelnemen, dus ook de bedieningsmanschappen der stukken, geweren beschikbaar te houden. De bewapening der manschappen bij de stukken besta dus uitsluitend uit geweren. Dit is van te meer belang, naarmate het geschut zelf meer kwetsbaar is, zooals b.v. het licht geschut.

Aan den anderen kant schijnt het verkeerd, de manschappen,