is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

BEPALINGEN TER VOORKOMING VAN

bij alle weêrstoestanden van zonsondergang tot zonsopkomst en gedurende dien tijd mogen geen andere lichten, welke aangezien kunnen worden voor de voorgeschreven, getoond worden.

Het bestaande Art. 2 moge op zeil- en vrachtstoomschepen, waar men de weinige lichten, die noodig zijn voor de inwendige verlichting, zonder bezwaar dekken kan, nog kunnen worden toegepast; op de passagiersschepen is dit niet mogelijk, en wordt met Art. 1 der Conferentie een reeds bestaande toestand geregeld.

Bovendien is Art. 2 der bestaande bepalingen in strij d met Art. 11.

Art. 2 (thans Art. 3).

Een stoomschip onder stoom, moet voeren:

a) . Aan of voor den fokkemast op een hoogte boven den romp van

niet minder dan 20 voet en indien het schip een meerdere breedte heeft dan 20 voet, dan op een hoogte boven den romp van niet minder dan die breedte, echter zoodanig dat het licht niet hooger boven den romp behoeft gevoerd te worden dan 40 voet, een helder wit licht, dat zoodanig is ingericht, dat het een gelijkmatig en onafgebroken licht doet schijnen over een boog van den horizon van 20 kompasstreken en zoodanig is geplaatst, dat het licht werpt over 10 kompasstreken, ter wederzijde van het schip, te weten van recht vooruit, tot 2 streken achterlijker dan dwars aan elke zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 5 zeemijlen (van 60 in 1 graad) zichtbaar zijn.

b) . Aan stuurboordzijde een groen licht, zoodanig ingericht dat het

een gelijkmatig en onafgebroken licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken en zoodanig geplaatst, dat het licht werpt van recht vooruit tot twee streken achterlijker dan dwars aan die zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn.

c) . Aan bakboordzijde een rood licht, zoodanig ingericht, dat het

een gelijkmatig en onafgebroken licht doet schijnen over een boog van den horizon van 10 kompasstreken en zoodanig geplaatst, dat het licht werpt van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan die zijde. Het licht moet op een afstand van ten minste 2 zeemijlen zichtbaar zijn.

d) .De genoemde groene en roode zijdelichten moeten aan de bin¬

nenzijde voorzien zijn van schermen, die minstens tot een afstand van 3 voet a) vóór het voorvlak van de lantaarn naar voren doorloopen, en zoo gesteld zijn, dat zij beletten dat het bakboords- of roode licht van stuurboordszijde en het stuurboords- of groene licht van bakboordszijde gezien wordt. é). Een stoomschip, onder stoom, mag bovendien een tweede wit licht voeren, van dezelfde samenstelling als het onder (a) genoemde licht. Deze twee lichten moeten zoodanig in één rich-

(1) Onder »voet" te verstaan Eng. voet.