is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANVARINGEN OP ZEE.

151

wanneer schepen in nood verkeeren en hulp noodig hebben. Zoodanige seinen zijn opgenomen in Art. 31.

De verandering van 3 roode lichten en ballen in 2 voor een schip, waarmede, tengevolge van eenig ongeval, niet gemanoeuvreerd kan worden, kan niet geacht worden noodzakelijk te zijn. Wij achten haar echter niet belangrijk genoeg om daartegen bezwaar te maken.

De bepaling dat deze lichten of ballen geheschen moeten worden daar waar ze het best zichtbaar zijn, achten wij bepaald eene verbetering; evenzeer die, dat de lichten 6 voet uit elkander moeten geplaatst zijn.

Art. 5 (thans Art. 6.)

Een zeilschip zeilende en elk schip hetwelk gesleept wordt moet dezelfde lichten voeren als voor een stoomschip onder stoom in Art. 2 is aangegeven, met uitzondering van de daarin genoemde witte lichten, welke het nimmer mag voeren.

Art. 6 (thans Art. 7.)

Wanneer, zooals dit bij slecht weder en op kleine vaartuigen kan plaats hebben, het groene en het roode licht niet vastgezet kunnen worden, moeten deze gereed gehouden worden klaar tot gebruik en, bij het naderen van of tot andere schepen, getoond worden aan hunne respectieve zijden, tijdig genoeg om aanvaring te voorkomen, op zoodanige wijze, dat zij het best zichtbaar zijn, en dat het groene licht niet aan bakboord en het roode licht niet aan stuurboord gezien kan worden, terwijl, indien dit uitvoerbaar is, de beide lichten niet meer dan 2 streken achterlijker dan dwars aan hunne respectieve zijden zichtbaar mogen zijn.

Om het gebruik dezer draagbare lichten zoo zeker en gemakkelijk mogelijk te maken, moet elke lantaarn uitwendig geverfd zijn met de kleur van het licht dat elk hunner doet schijnen en bovendien voorzien zijn van een doelmatig scherm.

Met de ruimere opvatting, dat op de hier bedoelde kleine vaartuigen de lantaarns bij de hand, aangestoken en gereed voor gebruik moeten worden gehouden en niet zooals thans geëischt wordt aan dek, aan de zijde waar ze gebruikt moeten worden, gaan wij gaarne mede.

Art. 7 (gedeeltelijk thans Art. 10.)

Stoomschepen van minder dan 40 ton en vaartuigen waarmede geroeid of gezeild wordt van minder dan 20 ton (gross tonnage) zijn, wanneer zij vaart loopen, niet verplicht de lichten te voeren vermeld in Art. 2 (a), (b) en (c), doch, indien zij die niet voeren, moeten zij voorzien zijn van de volgende lichten.

1. Stoomschepen van minder dan 40 tonnen inhoud moeten voeren: a). Vóór op het schip, of op, of vóór den schoorsteen, waar het het best gezien kan worden, en op eene hoogte boven het potdeksel van niet minder dan 9 voet, een helder wit licht, ingericht en geplaatst als voorgeschreven in Art. 2 (a) en van zoodanige sterkte, dat het zichtbaar is op een afstand van minstens 2 mijlen.