is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152

BEPALINGEN TER VOORKOMING VAN

b). Groene en roode zijdeliehten ingericht en geplaatst als voorgeschreven in Art. 2 (b) en (c) en van zoodanige sterkte, dat zij zichtbaar zijn op een afstand van minstens 1 mijl, of een gecombineerde lantaarn, toonende een groen licht en een rood licht van recht vooruit tot 2 streken achterlijker dan dwars aan hunne respectieve zijden; zoodanige lantaarn moet minstens 3 voet beneden het witte licht gevoerd worden.

2. Stoomsloepen, zooals door zeeschepen gevoerd worden, mogen het witte licht op minder dan 9 voet hoogte boven de verschansing voeren, doch het moet gevoerd worden boven de groen-roode lantaarn, vermeld in onder-afdeeling 1 (5.)

3. Roei- of zeilvaartuigen, van minder dan 20 ton, moeten gereedhouden een lantaarn met een groen glas aan de eene en een rood glas aan de andere zijde, welke bij de nadering van of tot andere schepen getoond moet worden, tijdig om aanvaring te voorkomen, zoodanig dat het groene licht niet gezien kan worden aan bakboordszijde noch het roode licht aan stuurboordszijde.

De vaartuigen, bedoeld in dit Artikel, zijn niet verplicht de lichten te voeren, voorgeschreven in Art. 4 (a) en in Art. 11, laatste alinea.

Terwijl de bijzondere bepalingen ten aanzien van het voeren van lichten tot nog toe toepasselijk zijn voor open vaartuigen en visschersvaartuigen van minder dan 20 netto register-tons, heeft de conferentie de visschersvaartuigen zeer terecht onder een afzonderlijk artikel gebracht en ziet het hier bedoelde Art. 7 op stoomvaartuigen van minder dan 40 en roei- of zeilvaartuigen van minder dan 20 ton gross register.

Sub l' (a en b). Het spreekt van zelf dat bij deze vaartuigen het toplicht lager moet kunnen geplaatst worden dan bij groote schepen het geval is en komt ons de grens van 9 voet boven het potdeksel goed gekozen voor. Ook achten wij den eisch billijk, dat het toplicht op 2 en de zijdeliehten op 1 mijl afstand zichtbaar moeten zijn.

Sub 2 houdt de vergunning in aan stoombarkassen, als waarmede vele zeeschepen zijn uitgerust, om het toplicht minder dan 9 voet boven 't potdeksel mits hooger dan de zg. gecombineerde lantaarn te voeren.

Sub 3 is met eene redactiewijziging identiek met al. 1 van 't bestaande Art. 10.

Art. 8 (thans Art. 9).

Een loodsvaartuig, op zijn kruisstation varende, moet niet de lichten voeren, die voor andere vaartuigen zijn voorgeschreven. Het moet enkel aan den mast een wit licht voeren, dat rondom zichtbaar is. Bovendien moet het met korte tusschenpoozen van ten hoogste 15 minuten één of meer schitterlichten vertoonen.

Bij dichte nadering van of tot andere schepen moet het zijn zijdeliehten ontstoken tot gebruik gereed hebben, en moet die met korte tusschenpoozen toonen, om de richting aan te geven waarin het stuurt, doch het groene licht mag niet aan bakboord, noch het roode licht aan stuurboord getoond worden.