is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANVARINGEN OP ZEE.

153

Een loodsvaartuig, van zoodanige klasse dat het verplicht is langszij van een schip te gaan om een loods af te geven, mag het witte licht toonen in stede van het aan den mast te voeren, en mag, in stede van de bovengenoemde gekleurde lichten, tot gebruik gereed houden een lantaarn met een groen glas aan de eene zijde en een rood glas aan de andere, ten einde die te gebruiken als boven omschreven.

Een loodsvaartuig, niet op zijn kruisstation varende, moet dezelfde lichten voeren als andere schepen van zijn tonneninhoud.

De bepaling, dat aan loodsvaartuigen, op hun kruisstation varende,

de verplichting wordt opgelegd om bij korte tusschenpoozen de roode

en groene zijdeliehten te toonen, achten wij zeer doelmatig, wijl zij nu

goed te onderscheiden zullen zijn.

Tegen de ruimere bepaling van al. 3 van dit artikel voor de kleinere

typen van loodsvaartuigen kan, dunkt ons, geen bezwaar bestaan.

Art. 9 (gedeeltelijk thans Art. 10).

Heeft betrekking op de visscherslichten. (Aangezien de Engelsche Commissie in 1892 de bepalingen ten dezen aanzien van de Washington-Conferentie aan een afzonderlijk onderzoek heeft onderworpen en het zich laat aanzien, dat deze kwestie afgescheiden van de andere „Rules of the Road" zal geregeld worden, hebben wij den inhoud van Art. 9 thans niet hier gegeven. Het voorstel van Engeland van 1892 bevat dus eigenlijk slechts 30 artikelen, doch wij zullen elk artikel blijven noemen bij zijn oorspronkelijk nommer, ten einde in overeenstemming te blijven met de Ned. Commissie. (Bed. Zee).

Zoolang de kwestie der visscherslichten niet geregeld is voor de

Noordzee, moet de Nederlandsche Eegeering, naar onze meening, bij

de hier behandeld wordende wijzigingen geen besluit nemen ten aanzien

dier lichten.

Ons land heeft te dezen opzichte slechts belang bij eene regeling voor zoover de Noordzee aangaat cn hoewel wij dus, geheel accoord met de voorstellen der Commissie uit den Board of Trade, voorstellen de visscherslichten voorloopig geheel buiten deze bepalingen te laten, zoo bedoelen wij niet dat deze kwestie steeds eene opene moet blijven.

Integendeel achten wij het meer dan tijd, dat de oeverstaten der Noordzee te dezen aanzien tot eene regeling komen.

Art. 10 (thans Art. 11).

Een schip, hetwelk wordt opgeloopen door een ander, moet van het achterschip aan het oploopende schip een wit licht of een schitterlicht toonen.

Het witte licht, hetwelk volgens dit artikel vereischt wordt, mag vast zijn en in een lantaarn gevoerd worden, doch in dat geval moet de lantaarn zoodanig ingericht en van schermen voorzien zijn dat zij een onafgebroken licht werpt over een boog van den horizon van 12 kompasstreken, n.1. 6 streken aan iedere zijde van recht achteruit, en zichtbaar op een afstand van minstens 1 mijl. Een dergelijk licht moet zooveel mogelijk even hoog als de zijdelichten gevoerd worden.