is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

memorie van antwoord.

487

er moet namelijk getracht worden om aan de bezwaren van dien abnormalen toestand zooveel mogelijk te gemoet te komen. Nadat op dezen maatregel bij de begrooting voor 1894 gerekend was, is bij Koninklijk besluit van 18 Juni jl. no. 70 bepaald, dat de adelborsten der 1ste klasse, na vier jaren in dien rang gediend te hebben, bij geschiktheid voor hoogeren rang, tot luitenant ter zee der 2de klasse zullen worden bevorderd. Om verder aan de bestaande bezwaren te gemoet te komen is door ondergeteekende voorgeschreven, dat de adelborsten der 1ste klasse van de jongste promotie aan boord van de fregatten eene reis heen en terug naar Indië zullen maken, die van het tweede jaar binnenslands en op de „Nautilus" zullen worden geplaatst, die van het derde op de groote schepen in Oost-Indië zullen dienen, en die van het vierde, ingeval zij geschikt zijn verklaard voor bevordering, in Oost-Indië op folio van officier zullen worden geplaatst. Op die wijze wordt reeds aan veel te gemoet gekomen. Aangezien, als aan dit voorschrift uitvoering zal zijn gegeven, op geen enkel schip een te groot aantal adelborsten der 1ste klasse bijeen zal zijn, kan men hun nuttige en leerzame diensten opdragen, en voorts zullen zij feitelijk slechts 3 jaren adelborstdienst doen. Ondergeteekende heeft bovendien bevolen, dat op de nieuw gebouwd wordende scuepen, behalve de voorlongroom, hutten voor de adelborsten zullen worden gemaakt, waarin zij met 2 of 3 te zamen zullen gehuisvest worden. Op die nieuwe schepen zullen dan, als de toelating op het Koninklijk Instituut voor de Marine later weer op het meer normale cijfer van 24 wordt gebracht, hoogstens 8, en zoolang er slechts 18 adelborsten van het Instituut komen, hoogstens 6 adelborsten der 1ste klasse te zamen zijn. Ondergeteekende vertrouwt, dat, als over eenige jaren die nieuwe toestand zal zijn ingetreden, alle bestaande bezwaren zullen zijn weggenomen.

Kan derhalve niet met het gewijzigde stelsel van opleiding van C. S. worden ingestemd, aan hetgeen overigens in het bewuste artikel voorkomt, wenscht ondergeteekende zijne aandacht te blijven wijden.

Aan het in het Voorloopig Verslag te kennen gegeven verlangen, om voor de adspirant-adelborsten, evenals voor de adspirant-cadetten, de gelegenheid te openen zich bij afkeuring aan eene herkeuring te onderwerpen, is reeds voldaan. Bij Koninklijk besluit van 11 September 1894 no. 35 is eene regeling dienaangaande getroffen.

Ondergeteekende heeft met genoegen vernomen, dat de wijzigingen, onlangs door hem in de opleiding van jongens en van onderofficieren gebracht, worden toegejuicht en dat ook in de Kamer hulde werd betoond aan het te dier zake uitgebracht rapport van den schout-bij-nacht C. ten Bosch.

Hij acht het echter niet bepaald noodig om beide genoemde opleidingen in één hand te brengen. De opleidingen op de „Nautilus" en op het logementschip te Hellevoetsluis zijn zeer nauw aan