is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERSLAG.

529

Nog op een drietal punten meent de Commissie van Rapporteurs in dit Verslag de aandacht te moeten vestigen.

Reeds sedert jaren is het vraagstuk, verbetering van de positie van den marine-machinist — verheffing van het korps — aan de orde. Van de zijde der Kamer werd er bij herhaling op aangedrongen. Het uitbreiden van het aantal officieren-machinist werd gerekend daartoe in de eerste plaats te kunnen bijdragen. Als beginsel werd in verband daarmede aangenomen „om op de schepen van groot charter èn met groot vermogen, waar het machinekamerpersoneel talrijker is dan op de kleinere schepen, een officier-machinist als hoofd der machinekamer te plaatsen". (Memorie van Beantwoording bladz. 16, ad art. 28.)

Desniettemin werd de „ Regeling van het personeel van's Rijks stoomvaartdienst", vastgesteld bij Koninklijk besluit van 17 April 1883 n°. 35 (Verordening van de Koninklijke Nederlandsche zeemacht, lste deel hoofdstuk IV) daarmede niet in overeenstemming gebracht. Nog steeds luidt art. 18: «De officieren-machinist worden geplaatst:

,lo ,2° ,3°. aan boord van de schepen met

groot stoomvermogen, indien zulks noodig wordt geoordeeld"; terwijl volgens art. 1 de sterkte zich regelt naar de behoefte.

Vandaar dan ook dat nog aan boord van meerdere schepen — is de Commissie van Rapporteurs goed ingelicht van een 5-tal — machinisten lste klasse de betrekking van hoofd der machinekamer vervullen, waar die volgens het aangenomen beginsel aan officierenmachinist kon zijn opgedragen. In het Voorloopig Verslag werd in verband daarmede eenige uitbreiding van het korps officierenmachinist in overweging gegeven. De Commissie van Rapporteurs had zich gevleid, de Minister daarin aanleiding zoude hebben gevonden eene verhooging van art. 28 voor te dragen. Nu dit achterwege bleef meent zij daarop alsnog te moeten aandringen^ art. 29 (dan wel art. 31?) zoude dan met een evenredig bedrag zijn te verminderen.

Daarentegen zoude het, naar het oordeel der Commissie van Rapporteurs niet tot verheffing van het korps machinisten strekken indien de Minister gevolg gaf aan het denkbeeld, aangegeven op bladz. 10 en 11 der Memorie van Beantwoording, om namelijk naar aanleiding van de ondervonden moeilijkheden ten opzichte van het dienstnemen van de machinisten van de handelsvloot bij de binnenlandsche stoomvaart de aanvulling van deze qualiteit voor oorlogstijd te zoeken. Let men op de maatschappelijke positie en het gehalte van dit personeel, voor een groot deel niet anders dan machine-drijvers, dan vreest de Commissie van Rapporteurs dat het nemen van een dergelijken maatregel een ongunstigen terugslag op het korps marine-machinisten zal teweegbrengen, daargelaten nog dat een groot deel van het personeel op schepen, die in de zeegaten moeten kunnen optreden, niet op zijne plaats zal zijn. En" de Commissie van Rapporteurs meent zich daarom te mogen veroorlooven er met bescheidenheid, doch ernstig op aan te dringen