is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

marinebegrooting voor het dienstjaar 1895.

brengen bij de algemeene beschouwingen van deze begrooting van hoofdmomenten, die ook artikelen van de begrooting raken. Ik denk daarbij onder andere aan de,, scheepsbouw. Het spreekt vanzelf dat bijzondere punten, zooals het loodswezen, gereserveerd blijven tot wij aan de desbetreffende artikelen zullen zijn genaderd.

De heer Goekoop: Mijnheer de Voorzitter! De leden die de beraadslagingen der laatste jaren over dit hoofdstuk der Staatsbegrooting gevoerd, gevolgd hebben, of daarvan hebben kennis genomen, speciaal van die over de begrooting voor 1893 — 2 jaren geleden op denzelfden datum als heden gevoerd — zullen zich niet verwonderen als ik aanvang met de verklaring, dat ik met ingenomenheid heb kennis genomen van deze begrooting — van die over 1895 — voor zooveel betreft den daarbij voorgedragen aanbouw van nieuwe schepen, ter vervanging van ons ontvallend materieel.

Opzettelijk maak ik reeds dadelijk deze restrictie, Mijnheer de Voorzitter, omdat overigens mijne ingenomenheid met deze begrooting al evenmin groot is, als in vorige jaren het geval was. Daarop kom ik straks terug. Hoofdmoment in deze begrooting is echter voor mij de thans voorgestelde aanbouw, waarbij gebroken wordt met het denkbeeld om schepen te bouwen zoogenaamde „a doublé usage'', zoogenaamde „beesten op vijf pooten"; gebroken wordt met het hinken op twee gedachten.

Dankbaar ben ik den heer Minister dus voor zijne voordracht tot aanbouw van schepen van het kruisertype voor den zoogenaamden algemeenen dienst en dien in Nederlandsch-Indië, waar de urgentie om tot zoodanigen aanbouw over te gaan mij voorkomt thans nog grooter te zijn dan toen wij hier in December 1892 stonden voor de behandeling der begrooting voor 1893. Daarbij komt, dat alle groote Zeemogendheden dat type hebben aangenomen voor de bezetting hunner buitenlandsche stations en voor die diensten, waarmede de door onze oorlogsschepen te bewijzen diensten kunnen worden vergeleken. Zoo heeft Engeland bij voorbeeld — bedrieg ik mij niet — er meer dan een dertigtal van ongeveer dezelfde snelheid als de ons thans voorgedragene. Het is daarbij het type, dat — naar het vrij eenstemmig oordeel onzer zeeofficieren — voor den algemeenen dienst bij onze zeemacht behoort te worden aangenomen; het type, dat zich van dat der gepantserde schepen, van dat der kustverdedigingsvaartuigen, onderscheidt, behalve door grootere zeewaardigheid en grootere kolenberging, door grootere snelheid en den aard der bewapening.

Meer daartoe bevoegden dan ik zullen het zeer zeker bespreken welke waarde, en in welke verhouding onderling, toe te kennen is aan de ons thans ter aanbouwing voorgestelde schepen met het oog op gewenschte snelheid, bewapening en bescherming.

Voor mijzelf wensch ik alleen dit te mogen verklaren, dat — mijn bescheiden gevoelen — bij de beoordeeling dier elementen alles afhangt van het uitgangspunt, waarop men zich meent te moeten stellen, of men namelijk beoogt te hebben óf zoogenaamde vechtschepen, battle ships, schepen voor locale verdediging, dan wel