is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGINGEN.

541

meerder en een achttal in minder geraamd, die mede een eindresultaat van ruim 2 ton in minder voor 1895 opleveren. Bepaalt men zich daarna tot de artikelen voor het materieel der zeemacht en voor dat van het loodswezen en de schaftingskosten der equipages, ook dan verkrijgt men als eindresultaat eene raming van ruim 2 ton in minder voor 1895; maar dan springt het ook ten duidelijkste in het licht hoe voor het overgroote deel de mindere raming bereikt werd door voor scheepsbouw benevens geschut en torpedo's een hoogst aanzienlijk bedrag minder op de begrooting voor 1895 te brengen.

En wie zou nu durven meenen, dat lagere raming op die posten naar bezuinigingen heenwijst, die men tot de blijvende bezuinigingen mag rekenen, ook in de toekomst ?

Ik voor mij, Mijnheer de Voorzitter, durf dat niet doen, en ik hoop dat ik althans daarin niet mistast, want nog heel veel hebben wij m. i. noodig, willen wij met eere met onze marine weer eens voor den dag komen.

Of dan, Mijnheer de Voorzitter, de bezuinigingen, door den heer Minister op bladz. 12 zijner Memorie van Beantwoording met name aangeduid, door mij niet worden gewaardeerd?

Zeer zeker, ook het kleine wordt door mij dankbaar aanvaard, en ik breng gaarne daartoe ook de vermindering van het aantal vlagofficieren, die van de zeetraktementen van officieren die reizen per particuliere gelegenheid naar en uit de koloniën doen; die van het aantal dirigeerende officieren van gezondheid, welke laatste vermindering een bedrag van f 2200 beloopt; een cijfer dat ik echter vrees, zeer spoedig ruimschoots benoodigd te zullen zien tot het verkrijgen van betere hospitaalinrichtingen, betere assistentie en betere hulpmiddelen aldaar, waar dit een en ander — zijn mijne inlichtingen juist — met het oog op de tegenwoordige eischen eener doeltreffende genees- en heelkundige behandeling in die hospitalen, een dringende eisch des tijds wordt.

Ik ga zelfs verder — de billijkheid eischt het te vermelden — en meen dat de Minister er ook op had mogen wijzen, hoe hij, geplaatst voor de noodzakelijkheid om f 65 400 meer te moeten ramen voor pensioenen (art. 65), deze uitgaaf wist te dekken bij een lager eindcijfer van het budget ad ƒ 208 830,40.

Gelukkig kon een bedrag van f 65 000, als minder te ramen voor transportkosten (art. 43), dat meerder geriefelijk dekken. Maar zullen die meerdere sommen voor pensioenen niet eene blijvende verhooging en het verminderd cijfer voor transportkosten geene tijdelijke vermindering blijken te zijn voor het vervolg? Ik ben niet geheel zonder vrees daarvoor.

Ik zeide daareven nader te zullen uiteenzetten, waarom ik mijne daar straks genoemde cijfers ontleende aan de in deze Kamer minder gebruikelijke bron, aan de Staatsrekeningen namelijk, en niet aan de zooveel meer voor de hand liggende bijlagen van dit hoofdstuk der Staatsbegrooting, eenen dikken bundel vormende. En, mag ik nu vóór ik aangeef wat mij daartoe bracht, even in het voorbijgaan er op wijzen dat die Staatsrekeningen — om eene reden mij onbekend — niet worden opgenomen in de bijlagen,

M. '94—'95. 35