is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslagingen.

555

is hersteld, opnieuw uitgerust, opnieuw ter zee is verschenen en sedert onbetwist het meesterschap ter zee heeft uitgeoefend.

En hoe staat het nu op dit punt bij ons, Mijnheer de Voorzitter? Treurig. We bezitten een arsenaal en werf van aanbouw te Amsterdam en daarop is nog ten volle van toepassing mijne conclusie voorkomende op bladz. 557 van de Handelingen van 1886/87.

Reeds acht jaar geleden heb ik die wondeplek opengelegd, zonder ernstige tegenspraak, eerder instemming, van den toenmaligen Minister te ontvangen.

En nu constateer ik, dat in geen enkel opzicht getracht is, die onnutte, doellooze philantropische werkverschaffing te verbeteren.

Ik herhaal, in geen enkel opzicht is iets gedaan om het doel, „dat het moet zijn eene basis voor eene actieve vloot", te verwezenlijken.

Wel is er wat gereedschap op de werf bijgeplaatst, wel bereiken ons, zoo nu en dan, klachten, dat het werkvolk eigenlijk nog beter behoort behandeld te worden, wel volgt de eene viceadmiraal den anderen op, als directeur-commandant dier werf, maar met dat alles komt men geen halven stap nader aan het doel, waaraan die werf zijn bestaan ontleent.

En wie niet als vakman zelf kan oordeelen, of er ook peperduur wordt geproduceerd, die raadplege nog eens het door ons behandeld wetje no. 34 van dit loopende dienstjaar, waaraan ik toevoeg, dat om alleen de rompen te bouwen voor de „Koningin Wilhelmina" en de „Reinier Claeszen" plus minus één millioen gulden meer is uitgegeven, dan de particuliere nijverheid aanbood, na de bekende catastrophe met de Koninklijke Fabriek te Amsterdam.

En zoo de Minister den productieprijs zijner tegenwoordige werf (die daarenboven slechts een zeer klein onderdeel is eener scheepsbouwfabriek) als bestedingsprijs aan de particuliere nijverheid gaf, dan zou ik, zonder aarzelen opstaan, om te betoogen, dat al te grove winsten en gunsten werden uitgereikt ten koste van de belanghebbenden.

En, Mijnheer de Voorzitter, nu tik ik dit punt niet aan om der particuliere nijverhaid werk te verschaften en winsten in den schoot te werpen. Neen, reeds meermalen verwees ik naar de omwerking der Engelsche marinewerven tot scheepsbouw-fabrieken, onder opmerking, dat het hun gelukt is, daardoor te hebben eene goede basis voor hunne vloot en de particuliere nijverheid te slaan èn in tijd van levering èn in productiekosten.

Daarom roep ik den Minister toe: in afwachting dat door u in dit moeilijk vraagstuk eene oplossing zal worden voorgedragen, eene oplossing die ik hoop dat krachtig zal bijgedragen tot mogelijke verdediging van het moederland, met het beperkt materieel dat we bezitten, gebruik uwe tegenwoordige werf, die ik nog altijd beschouw als doelloos, nutteloos, onnoodig geldverkwistend, zoo spaarzaam mogelijk.