is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGINGEN.

561

belangrijk aantal schepen, die voor verreweg het grootste deel niet meer naar den laatsten smaak heeten en daarom .... onbruikbaar worden verklaard.

Dezen toestand betreur ik, Mijnheer de Voorzitter, omdat die eisch om aan de mode te voldoen onze schatkist ondermijnt en de huishouding volkomen in de war brengt.

Het zal intusschen, dat begrijp ik volkomen, bij een ernstig protest althans van mijne zijde moeten blijven.

Zoolang nog eene meerderheid in de Volksvertegenwoordiging domineert, die blijkbaar den moed mist om zulke geldverspilling tegen te gaan, den moed mist om zonder eenig voorbehoud voor die mode de gelden te weigeren, zoolang zal de Nederlandsche natie het hoofd in den schoot moeten leggen en geduldig dragen de zware lasten die haar deswege worden opgelegd.

Toch, Mijnheer de Voorzitter, dat zal u mij toestemmen, het moet hard, vreeselijk hard klinken in de ooren onzer belastingbetalende burgers, die jaar op jaar de belastingen zagen verhoogd en vermeerderd, om ook aan de dringende eischen van het Marinedepartement te voldoen, zoo heette het; het moet vreeselijk hard klinken, zeide ik, thans, na al die offeranden, uit den mond van dezen Minister te vernemen (zie de Memorie van Antwoord), „het bestaande materieel is oud en verouderd".

Waar zóó iets mogelijk is en waar niettegenstaande zulk eene mogelijkheid nog maar' voortdurend op dezelfde onbestemde wijze wordt voortgesukkeld, daar acht ik het, Mijnheer de Voorzitter, eene dwaasheid in deze Fb/fevertegenwoordiging nog één enkel woord te spreken over de soort of het type der te bouwen oorlogsschepen.

Mij ^ dunkt de schriftelijke beschouwingen, de zeer uitvoerige schriftelijke beschouwingen daarover gehouden in het Voorloopig Verslag en de Memorie van Antwoord zullen het Nederlandsche volk meer dan voldoende overtuigen, hoe er te dezen opzichte noch bij de Regeering, noch in de Kamer, zelfs ook maar eene schaduw van omkeering te bespeuren valt.

Misschien zelfs zouden de geachte afgevaardigden die daarover nog het woord wenschen te voeren, de natie een groot genoegen doen, door haar de lectuur van die verdere beschouwingen te besparen.

Onder deze omstandigheden, in dezen toestand van volkomen onzekerheid, is het mij althans volstrekt onverschillig, welk type de Minister zal doen bouwen; voldoende is het mij, dat de schepen in Nederland op stapel zullen worden gezet en den Nederlandschen arbeid de daarvoor uitgetrokken sommen ten goede zullen komen. Doch waar ik wel een oogenblik de aandacht op wenschte te vestigen, is de mijns inziens lichtvaardige wijze waarop door de ingenieurs der marine bij den bouw en herstelling van schepen wordt omgesprongen en de weinig ernstige manier waarop door het betrokken Departement dergelijke nonchalance wordt berecht.

Ik constateer nog eens, Mijnheer de Voorzitter, dat door onze marine een 16-tal ingenieurs wordt gemainteneerd, dat alléén aan