is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

586 marInebeörootinG voor het dienstjaar 1895.

voorts opmerken, dat van de kruisers in den laatsten tijd gebouwd, eene pantserdikte van 5 cM. al mede een der geringste is.

Nu is er door eene marine-autoriteit op gewezen, dat groote snelheid en goede bescherming en bewapening zeer goedjn één schip kunnen vereenigd worden, zonder dat de diepgang dien van 54 a 56 dM. behoeft te overtreffen. Als voorbeeld stelde hij de „Mayo", een Argentijnschen kruiser, die slechts 48 dM. diepgang heeft, een pantserdikte van 45 mM. in 't midden en van 90 tot 115 mM. in de zijde, bewapend met 2 kanonnen van 20 cM. en 8 snelvuurkanonnen van 12 cM. Hare proeftochtsnelheid was 21,2 mijl. Misschien zou ook op den Duitschen kruiser „Gefion" kunnen gewezen worden, die 6 snelvuurkanonnen aan boord heeft van

15 cM., eene pantserdikte van 50-75 mM. en eene vaart van 20 mijlen. , ,

Is snelheid wellicht de hoofdfactor voor onze kruisers in den Indischen Archipel, willen zij aan hunne bestemming beantwoorden, anderzijds is toch zeker het woord van den schrijver der^ artikelen „de Marinebegrooting" in liet „Nieuws van den Dag van

16 en 18 October jl., waar, als hij zegt: „Bij de verdediging komt altijd een oogenblik waarin men stand houden moet", alsdan is snelheid geen overwegend voordeel meer, maar kracht van artillerie en degelijke bescherming tegen 's vijands vuur van het hoogste belang.

Niet altijd zullen onze kruisers het gevecht, zelfs met sterkere tegenstanders, kunnen vermijden. En daarom ben ik van meening, dat, naast de hier voorgestelde' kruisers, wij er toch een of meer zullen moeten bezitten, die in staat zullen zijn met goed gevolg den strijd aan te binden met die des vijands, wanneer deze — hetgeen zeer vermoedelijk is — schepen van betere bescherming en bewapening in onze Indische wateren zal doen optreden.

Een bezwaar tegen het hier aangehaalde is de diepgang van 54 a 55 decimeter, waaraan onze schepen met het oog op het binnenloopen der haven van Soerabaija gebonden zijn. Alhoewel, geloof ik, alle marine-officieren het eens zijn, dat Soerabaija met zijne marinewerf de aangewezen plaats is, waar onze schepen moeten kunnen binnenloopen om te repareeren of te ravitailleeren, schijnt er toch verschil van meening te bestaan omtrent de waarde dier haven èn als vluchthaven, èn als operatie-basis.

Als vluchthaven omdat een kruiser met 55 decimeter diepgang er evenmin altijd kan binnenloopen als een met 60 decimeter diepgang zegt de vice-admiraal Mac-Leod. Dit is waar, maar net is toch mijns inziens geen onverschillige zaak of men gedurende bijv. 8 uren van een etmaal kan binnenloopen met 5o decimeter diepgang of misschien hoogstens 1 uur bij 60 decimeter diepgang, juist als het water zijn hoogsten stand bereikt heeft.

Als operatie-basis, omdat Soerabaija te ver van West-Java ligt, en daar eene haven moet gezocht worden, waar schepen kunnen kolen laden, en zich voor den vijand terugtrekken. Zulk eene haven, waar schepen met 60 decimeter diepgang kunnen binnenloopen, is wel te vinden, zegt de vice-admiraal Mac-Leod. Maar hij zegt niet waar, en verschillende schrijvers over marinezaken,