is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

624 marinebegrooting voor hbt dienstjaar 1895.

eens met den heer Pijnappel en met den Minister, dat de stemming over het amendement van den heer Smit eene zeer onzuivere zal zijn, maar naar aanleiding van hetgeen zooeven door den Minister van Marine is opgemerkt, dat schepen met__eene snelheid van 23 mijlen geen goede oorlogsschepen kunnen zijn, wensen ik tot Zijne Excellentie de vraag te richten of hij daarmede bedoelde, dat door die meerdere snelheid te veel zou moeten worden opgeofferd van de bewapening en van de dikte van het pantserdek der schepen. Ik wensch die vraag tot den Minister te richten omdat ik indien ik overigens niet al overtuigd was door de rede van den heer Pijnappel omtrent de onaannemelijkheid van het amendement, mijne stem toch afhankelijk wensch te maken van hetgeen de Minister op mijne vraag zal antwoorden.

De heer Goekoop, voorzitter van de Commissie van Rapporteurs, het woord ontvangen hebbende, om namens deze haar gevoelen over het amendement mede te deelen zegt: .

Mijnheer de Voorzitter! Het zal der Vergadering wel niet ontgaan zijn dat de geachte voorsteller van het amendement, de geachte afgevaardigde uit Ridderkerk, zelf een der leden van de Commissie van Rapporteurs is. De vier overige leden dier Commissie zijn echter eenstemmig van oordeel dat der Vergadering de aanneming van het amendement behoort te worden ontraden.

Naar aanleiding van hetgeen door den geachten afgevaardigde uit Amsterdam, den heer Pijnappel, is gezegd omtrent de wenschelijkheid om, wil men een oordeel uitlokken over hetgeen de heer Smit verlangt, dit dan te doen bij eene motie, meent de meerderheid der Commissie er nog op te mogen wijzen, hoe juist de quaestie van de snelheid der kruisers aan te geven, besproken is geworden, zoowel in de tusschen Regeering en Kamer gewisselde stukken als in de rede hedenmorgen door den heer Minister gehouden, zoo ook in de rede van den geachten afgevaardigde uit 's Gravenhage, den heer Güyot, op 11. Zaterdag.

Het komt der Commissie dus voor dat de zaak voldoende voorbereid is en rijp voor eene beslissing; ook op dit punt.

De heer A. Smit: Mijnheer de Voorzitter! Slechts een enkel woord om den heer Pijnappel en anderen, die meenen dat de Rijkswerf bij mijn amendement is betrokken, te betoogen, dat ik die landswerf geheel los gemaakt heb van het amendement. Wanneer de Minister zegt, dat aan 's Rijks werf goedkoop en goed_ gewerkt wordt en particuliere werven ook wel eens ten achter zijn dan wil ik dit gaarne voor waar aannemen, doch de Minister zal met ontkennen, dat bij aanneming van het amendement daardoor hoegenaamd geen directen invloed wordt uitgeoefend op de Rijkswerf.

Vergis ik mij niet, dan heeft de Minister nog 8 maanden om op die werf te bouwen, en worden de f210 000 van het artikel genomen, dan kan de Minister in die 8 maanden met een voorstel komen, ten einde de Rijkswerf voor werkverschaffing in stand te houden.