is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 9, 1894/1895 [volgno 10]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE PERS.

7Ö3

3°. dat hij met den eersten kimspiegel een hoek maakt van

juist 60°, met de rugzijden naar elkaar toe; 4°. dat hij zoo dicht mogelijk bij den eersten kimspiegel staat, zonder

dat hij het gezichtsveld van den eersten kijker onderschept; 5°. dat de bovenkant van het verfoelied gedeelte iets hooger

boven het vlak van het instrument komt dan dat van den

eersten kimspiegel.

Wanneer men nieuwe sextanten op die wijze inricht, is het te verkiezen beide kimspiegels op een gemeenschappelijke voetplaat te plaatsen, die aan het geraamte van het instrument bevestigd is.

In ééne lijn met de middens van den grooten en de beide kimspiegels, is een ring voor een tweeden kijker geplaatst, en stevig aan het geraamte bevestigd, zoodanig, dat de as van den kijker in bovengenoemde lijn ligt. Het midden van het gezichtsveld van den kijker moet, juist gesteld, met den bovenkant van het verfoelied gedeelte van den tweeden kimspiegel overeenkomen.

In het verfoelied gedeelte van den tweeden kimspiegel wordt de richting van de as van den tweeden kijker nagenoeg loodrecht teruggekaatst naar rechts. Door het onverfoelied gedeelte wordt zij doorgelaten; eveneens door dat van den eersten kimspiegel — naar het midden van den grooten spiegel, en wordt daarin teruggekaatst naar links.

Omgekeerd kan men dan de beelden van twee voorwerpen door enkele terugkaatsing in de twee spiegels (het linksche in den grooten spiegel, het rechtsche in den tweeden kimspiegel) in dezelfde richting naar het oog krijgen.

Zet men nu den wijzer op 60° vast, dan maken volgens de bekende wet groote en eerste kimspiegel een hoek van 30°; eerste en tweede kimspiegel maken een hoek van 60°, dus groote en tweede kimspiegel een hoek van 90°, en de teruggekaatste stralen van de as van den kijker dus samen een hoek van 180°. Boven het cijfer 60° van de randverdeeling wordt nu 180° gegraveerd. Wordt de wijzer naar 70° op den rand verplaatst, zoo wordt de onderspannen hoek =z 170°, die weer boven de randverdeeling wordt gegraveerd, enz., zoodat 120° weer met 120° overeenkomt. Rechts van 60° op den verdeelden rand krijgt men boven 50°, 190° enz. tot 240° boven 0°, alzoo boven ieder cijfer het verschil daarvan met 240°.

Het aflezen van hoeken van 120° tot 240° geschiedt van den linkschen of hoogsten kant van de nonius, hetgeen voor degenen, die aan aflezen van den sextant gewend zijn, geene moeielijkheden zal opleveren.

De gekleurde glazen achter den eersten kimspiegel moeten, om plaats te maken voor den tweeden kimspiegel, verder naar buiten geplaatst worden in de richting van den eersten kijker naar den eersten kimspiegel. Zij kunnen nu tevens dienen, om, wanneer men den tweeden kijker gebruikt, bij hinderlijke reflectie van de achterzijde van den eersten kimspiegel, het gereflecteerde licht te onderscheppen.