is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 6]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

170

WACHTSCHEPEN EN HAVEN VERDEDIGING

het nauwste en ondiepste gedeelte der vaargeul: hoedanig ook de strekking en de generale diepte dezer geul gewijzigd wordt, altijd zal er een punt zijn, waar de vijand langzaam en behoedzaam zal moeten varen, aangezien immers de betonning tijdig is verwijderd ; waar het licht zal voorkomen, dat hij eenigen tijd aan den grond zit; waar, mits voor een goed stelsel van oorlogsbetonning ten onzen bate gezorgd is, onze schepen hem onder critieke omstandigheden kunnen bestoken. Het bondgenootschap, dat de plaatselijke gesteldheid van het vaarwater onze zeemacht aanbiedt, mag evenmin hier, als in de vaderlandsche zeegaten worden afgewezen.

Stel, dat men de hoofdverdediging niet hier wil voeren, den vijand ongehinderd laat doorvaren, maar hem, eenmaal op de reede gekomen, uit een sterk fort, op den Java- of Madoera-wal, onder vuur neemt, dan zal dit vuur hem het ongestoord bezit van de reede wel is waar ontzeggen, maar hem' niet beletten, zich gedurende korten tijd daar ophoudende groote schade aan te richten aan de aanwezige schepen en het marine-etablissement; de op de reede gevormde mêlee zal hem reeds in groote mate tegen het vuur uit het fort beschermen.

Mocht eenmaal, na voltooiing der bovenbedoelde werken, het Oostervaarwater zich zoodanig verlegd hebben, dat het op betrekkelijk korten afstand langs den wal loopt, ter plaatse waar de geringste diepte moet worden gepasseerd, dan zoude de bouw van een krachtig vast werk op den wal daar ter plaatse moeten worden aanbevolen. Voorshands is de afstand, waarop het vaarwater van den vasten wal verwijderd blijft, daartoe te groot, en dus verdediging door vaste sterkten uitgesloten, of men zoude een waterfort moeten bouwen, wat in dezen bodem zeker onoverkomelijke bezwaren oplevert.

Hier blijft dus voorloopig de taak der verdediging aan de marine opgedragen ; van de eenmaal te verkrijgen diepte en gesteldheid van het vaarwater hangt echter af, welk materieel daartoe te bestemmen is ; het komt mij echter, juist daarom, van veel waarde voor, dat onze zeemacht, in de oude pantserschepen „Koning" en „Hendrik," nog altijd beschikt over materieel, dat, met betrekkelijk geringe geldelijke opoffering, geschikt gemaakt kan worden, om hier nog goede diensten te bewijzen ; na hun verscheiden zal de toestand van het vaarwater allicht meerdere zekerheid geven, dan nu bestaat, aangaande het wenschelijke drijvend materieel.

Zooals boven reeds gezegd, is het punt, waar de verdediging gevoerd moet worden, de buitendrempel (eene vrij uitgestrekte ondiepte) van het ga.t; schepen van eenigszins beteekenenden diepgang moeten hier behoedzaam varen en kunnen dus geene groote snelheid ontwikkelen. Daarom is voor den verdediger groote snelheid ook geen vereischte en kunnen de machines van de „Hendrik' , waarschijnlijk ook die van de „Koning", ongewijzigd behouden bijven; het voordeel van geringer kolenverbruik, met wijziging dezer werktuigen naar meer moderne constructie te verkrijgen, wordt zoodoende prijs gegeven, maar het is de vraag, of de levensduur van het schip zoude toelaten, de winst in brandstofverbruik tegen