is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 7]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

282

UIT DE PERS.

Hadden die schepen een deel van zulk een plan uitgemaakt, wellicht waren er meerdere ontworpen en de leemten bij de eersten opgedaan aangevuld. Nu wordt de marine verrijkt met schepen, die niet gerekend kunnen worden de bovengenoemde te vervangen en die te kostbaar zijn om tot de kleinere gerekend te worden. Vaartuigen voor kondschapsdienst, waaraan in 1891 reeds behoefte bestond, zijn er nog niet, bij de eene torpedoboot is het gebleven.

S. vindt het gelukkig dat voor de I. M. M. en de G. M. in de laatste jaren niet veel is aangebouwd. Immers de „Lombok" en „Sumbawa" waren toen reeds bijna gereed, de „Borneo" volgde in 1892 en de „Nias" in 1891, enkele „vogels" der G.M. werden bijgebouwd. Zijns inziens heeft men bij de bewapening van de „Nias" de redeneering gevolgd, een onbeschermd scheepje van + 12 mijls vaart is slechts geschikt om tegen inlanders te vechten en daarvoor zijn kanonnen van 12 c.M. K. A. mooi genoeg. Al zegt men nu : het geschut van de „Borneo" kon alleen Tjakra-Negara bereiken, men moet dit niet plaatsen op schepen die als eigenlijk oorlogsschip geen waarde hebben.

Kleine vaartuigen ontleenen die waarde aan groote snelheid en torpedobewapening en teneinde te bewijzen dat de kosten voor den bouw van betere scheepjes niet zooveel meer bedragen, worden de „Thrush" (een vaartuig als de „Borneo") en „Sharpshooter" een torpedojager aangehaald. Beide hebben gelijke bemanning (85 man) en kolenberging, de eerste is zwaarder bewapend en heeft geen torpedokanonnen, de tweede daarentegen 5 lanceerbuizen, de eerste liep 13 mijlen, kostte 39000 pdst. de tweede 19 mijl en kostte 50000 pdst.; voor f 132.000 meer had men dus een goed oorlogsschip.

Na er aan te hebben herinnerd dat de I. M. M. ontstaan is na het Kon. besluit van 1866, dat eigenlijk alleen een administratief en geen organiek besluit was, worden de schepensoorten genoemd waarmode die marine werd uitgebreid en de wenschelijkheid uitgesproken dat zij niet als een afzonderlijk geheel blijve bestaan, waardoor bezuiniging en verbetering verkregen zou kunnen worden, gelijk S. vermeent te hebben aangetoond in „Proeven eener begrooting van marine gebaseerd op eenheid van de zeemacht in Nederland en Indië" („Landsverdediging", afl. 1894).

Ten opzichte van het materieel hebben verbeteringen van meer ondergeschikten aard plaats gehad, waaronder door S. genoemd worden : sluiten van contracten voor het inhuren, in tijd van oorlog, van binnenlandsche stoomvaartuigen, voor sleep- en andere diensten ; wijziging in seinlantarens ; invoering van verlichting door minerale oliën en electriciteit; maar bovenal de artillerie, die met den tijd medegaat en het gebrekkige van ons drijvend materieel zooveel mogelijk helpt neutraliseeren.

De invoering der snelvuurkanonnen van 15 c.M. en van het nieuwe geweer worden in het bijzonder genoemd.

S. betreurt het plaatsen van de kanonnen van eenige kanonneerbooten op de nieuwe schepen, niet zoozeer om de plaatsing zelf, als wel omdat die kanonneerbooten van de lijst der binnengaatsche