is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor het dienstjaar 1896.

401

Mijnheer de Voorzitter! Toen ik dat cijfer twee en tachtig duizend zeshonderd negen en zeventig gulden zag, kwamen mij de woorden in herinnering door ons vroeger medelid Fabius eens gesproken naar aanleiding van de behandeling der haven Tandjong-Priok. Die zeide destijds, dat hem de tranen over de wangen biggelden, als hij dacht aan wat er betaald moest worden voor het dokken onzer schepen te Singapore bij gebrek aan een dok te Batavia. Met het oo°- op zulke cijfers en het groot aantal schepen, dat van tijd tot tijd gedokt moet worden, wensch ik een paar vragen tot den Minister te richten:

lü. Is er al aanvraag bij de Regeering ingekomen tot concessie voor den aanleg van een droogdok?

2°. Zoo niet, of de Minister kan toezeggen, dat een eventueel concessionaris er op zou kunnen rekenen, dat de gouvernementsschepen bij voorkeur van een droogdok te Poeloe-Weh gebruik zullen maken?

8°. Of als er geen concessie-aanvrage mocht inkomen, de llegeering niet gezind is van Staatswege zulk een dok aan te leggen en te exploiteeren ?

Als wij zien, dat op dit oogenblik te Atjeh een gouvernements-ijsfabriek wordt geëxploiteerd, geloof ik niet, dat in aanmer•king genomen het groot aantal gouvernementsschepen, dat er van zulk een dok gebruik kan maken, tegen aanleg en exploitatie van Staatswege bezwaar kan bestaan.

De heer Bergsma, Minister van Koloniën: Mijnheer de Voorzitter ! De geachte afgevaardigde uit 's-Gravenhage, de heer Guyot, heeft een zeer belangrijk overzicht gegeven van de geschiedenis der marine in Nederlaudsch-Indië en van de verschillende deeleu, waaruit die marine naar zijne opvatting zal moeten bestaan. De geachte afgevaardigde heeft echter verklaard, dat hij van mij geen dadelijk antwoord verlangde op hetgeen hij omtrent eene behoorlijke inrichting van den dienst der marine in onze koloniën gezegd heeft. Ik wensch gaarne van die vergunning gebruik te maken, want ik zou op het oogenblik niets anders kunnen doen dan de verschillende opiniën mede te deelen, die over dat onderwerp over en weer zijn geuit, terwijl daaromtrent waarschijnlijk eerst in het volgende jaar eene beslissing zal kunnen genomen worden. Ik zal daarbij natuurlijk met dankbaarheid gebruik maken van de gegevens en wenken, die de geachte afgevaardigde in zijne doorwrochte rede heeft verstrekt en gegeven.

Op de waag, die de geachte afgevaardigde mij heeft gedaan omtrent de bewapening van de Indische militaire marine met het nieuwe geweer, kan ik mededeelen, dat daaromtrent nog met mijn ambtgenoot van Oorlog overleg wordt gepleegd. Daar er destijds nog geene bestelling van geweren had plaats gehad, kon mijn ambtgenoot mij voorhands niet de verzekering geven, dat hij mij op een gegeven oogenblik voor dat doel aan geweren zou kunnen helpen. Indien het te zijner tijd mocht kunnen geschieden, dan zal het eene regularisatie-quaestie zijn, want die geweren zullen natuurlijk niet uit de Nederlandsche, maar uit de Indische schatkist betaald