is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 10]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGINGEN.

617

vermeden worden de begrooting te bezwaren met uitgaven die niet strikt in het belang der zeemacht gevorderd worden. En waar nu de Minister zelf getoond heeft, zooals uit verschillende plaatsen in de Memorie van Antwoord blijkt, er naar te streven op andere posten zooveel mogelijk te bezuinigen om de zoo noodde uitgaven voor nieuwen aanbouw niet drukkender te maken dan noodzakelijk is — een standpunt dat door de Commissie van Rapporteurs zeer wordt gewaardeerd — meent zij te mogen vertrouwen, dat het amendement op niet te grooten tegenstand bij Zijne Excellentie moge stuiten en de aanneming der Kamer te mogen aanbevelen.

Het amendement als voorgesteld door de Commissie van Rapporteurs maakt van rechtswege een onderwerp van beraadslaging uit.

De heer Van der Wijck, Minister van Marine.- Mijnheer de Voorzitter! Ik had gaarne gezien, dat uit de toelichting tot dit amendement ware achterwege gelaten het argument dat de marine bij eene uitbreiding van de tegenwoordige kustwacht geen belang heeft, want dit belang heb ik in de Memorie van Toelichting en in de Memorie van Antwoord wel degelijk erkend en ik ben nog van dat belang overtuigd. De zaak dateert al reeds van geruimen tijd geleden. Zij is het eerst ter sprake gekomen m de Staatscommissie van het jaar 1883 en daarna in de Staatscommissie van het jaar 1890. Hoewel nu het rapport van de Staatscommissie van 1890 een geheim rapport is, vermeen ik toch daaruit wel mededeelingen te kunnen doen, die eene meer algemeene strekkina: hebben en niet in détails komen. De commissie was van oordeel "dat de tegenwoordige kustwacht niet voldoende was in oorlogstijd om te voorzien in drie gevallen, die ook ik genoemd heb, "namelijk in het geval dat onze havens geblokkeerd worden, in het geval dat eene landing dreigt en ten derde om in de noodzakelijkheid te voorzien dat steeds en overal — ik druk vooral op het laatste — gelegenheid zij om gemeenschap te houden met de schepen die langs onze kust varen.

Toen ik aan het hoofd van het Departement van Marine optrad vond ik deze zaak in vrij gevorderden staat van wijzen; de vorige Ministers van Marine en van Oorlog waren overeengekomen, dat de kustwacht langs de kust van Noord- en Zuid-Holland zou ' worden uitgebreid, en dat de kosten van het materieel daarvoor zouden worden verdeeld tusschen het Departement van Oorlog en dat van Marine. Er was evenwel nog geene definitieve begrooting opgemaakt. Ik heb daarop verlangd, dat er eene begrooting zou worden opgemaakt, opdat aan de Kamer de juiste cijfers voor het geheele bedrag zouden kunnen worden opgegeven. Ik heb daarenboven verlangd, dat de kosten voor de kustwacht, die op de eilanden aan de Noordzee moest worden opgericht, ook voor de helft ten laste zouden komen van het Departement van Oorlog. Toen bestond n.1. nog het voornemen, dat het Departement van