is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 12]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de in nevelen gehulde expeditie.

de voornemens van den Generaal Diemont, betrekkelijk de bevolen expeditie tegen Samalanga, maar ik deel hier slechts mede, hoe of ik voor mij geloof, dat die Generaal-officier over de bevolen expeditie tegen Samalanga heeft gedacht.

Hij, die gaarne wil weten, of ik in Juni 1877 al of niet in strijd met mijne wenschen van Atjeh naar Java ben vertrokken, gelieve zulks te vragen aan een van de drie geneesheeren, op wier advies mijne evacuatie van Atjeh naar Java heeft plaats gehad.

Met een van die heeren, Dr. A. L. C. Stödtke, chef van den geneeskundigen dienst der landmacht te Atjeh, heb ik toevalliger wijze kennis gemaakt, toen ik, bij den Generaal Diemont aan tafel zittende, geheel onverwacht bewusteloos op den grond viel.

Wellicht zal Dr. Stödtke zich nog wel kunnen herinneren, dat hij in Juni 1877 van oordeel was, dat, bijaldien eene spoedige herstelling van mijne gezondheid mogelijk was, ik die herstelling toch niet mocht verwachten van het gebruik van medicamenten, maar wel van een verblijf gedurende eenige weken in een bergklimaat, bijvoorbeeld te Gadok. (16)

Naar aanleiding van dit oordeel van een geneesheer van groote reputatie, die door een dagelijksche praktijk goed bekend was met het hardnekkig karakter der Atjehsche koortsen, heb ik mij onderworpen aan den wil van den officier van gezondheid der eerste klasse P. I. Feltkamp, mijnen officieelen dokter.

In Juni 1877 heb ik de wateren van Atjeh verlaten in strijd met mijne wenschen, doch in de vaste overtuiging, dat mijne evacuatie naar Java was de kortste en zekerste weg, om voor den aanvang van de expeditie tegen Samalanga weder voor alle diensten beschikbaar te zijn.

In dit mijn vertrouwen werd ik, wel is waar tot mijn leedwezen teleurgesteld, maar het feit dat ik reeds op den 21sten Augustus 1877 geheel hersteld in de wateren van Atjeh ben teruggekeerd, en dat ik na dien tijd geen Atjehsche koortsen meer heb gehad, is toch een overtuigend bewijs, dat de heeren doktoren, die mij naar Gadok zonden, goed hebben gezien. Hoewel ik vermeen, dat ik in de hier voorafgaande regelen de door mij aan den heer Sol gedane vraag voldoende heb toegelicht, mag ik toch hiermede mijn opstel niet eindigen, omdat op mij ook de verplichting rust, om hier mede te deelen, hoe of ik op het denkbeeld ben gekomen, om in strijd met eenen door mij op 25 Januari 1896 uitgesproken wensch, de door den heer Sol geleverde bijdrage in het „Generaal van der Heyden Album" in dit tijdschrift te bespreken met verwijzing naar dit Album.

Tot mijn groot leedwezen werd de heer Sol tot heden toe door ziekte verhinderd, om mijnen aan hem gerichten brief van den 25sten Januari 1896 te beantwoorden.

Door mijn wachten op het door mij zeer gewenschte antwoord van den heer Sol heb ik overvloedig tijd verkregen, om na te denken over hetgeen ik in de gegeven omstandigheden al of niet verplicht ben te doen.

Dit nadenken heeft mij doen inzien, dat ik aan mijne kinderen verplicht ben, om, op de eene of andere manier, openlijk te protes-