is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 10, 1895/1896 [volgno 12]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MARINEBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1896

in de Eerste Kamer der Staten-Generaal.

BERAADSLAGINGEN.

De heer van Alphen: Mijnheer de Voorzitter! Met de hulde aan den Minister gebracht, voor zijn openhartig en duidelijk blootleggen van den toestand waarin de schepen onzer zeemacht verkeeren, vereenig ik mij gaarne, en ik deel het vertrouwen van den Minister, dat de Staten-Generaal hem zullen steunen in zijn streven, om 's lands weermiddelen te water weder in goeden staat te brengen, mits zij deugdelijk worden ingelicht, op welke wijze het aanzienlijk bedrag, dat daartoe noodig is, zal worden besteed en in welken tijd de zoo urgente verbeteringen kunnen verkregen worden.

Voor alles is dus noodig, een goed uitgewerkt plan van reorganisatie onzer marine, dat rekening houdt met onze financiëele krachten en met het personeel dat onze natie, zoo in oorlogs- als in vredestijd, voor de zeemacht beschikbaar kan stellen.

Sedert mijn optreden in deze Kamer heb ik daarop herhaaldelijk gewezen, en ik zal dus wel niet behoeven te zeggen, dat het mij verheugt, dat de Minister ons nu dat reorganisatieplan heeft toegezegd. Hoe eerder ons dit in handen zal komen, hoe liever het mij zijn zal, want het is waarlijk meer dan tijd, om den aanbouw van nieuw materieel krachtiger ter hand te nemen; gaarne had ik er reeds dit jaar meer geld voor beschikbaar zien stellen door den Ministerraad en voor zien vragen bij deze begrcoling. Zoowel in het Oosten als in het Westen is de politieke horizon betrokken en mocht ons onverhoopt oorlogsgevaar gaan dreigen, dan zou onze marine bedroefd slecht zijn toegerust, om onze neutraliteit, wellicht onze onafhankelijkheid, te helpen handhaven, of om onze overzeesche bezittingen te verdedigen tegen vreemd geweld.

Het komt, ook mij, stellig billijk voor, dat het Departement van Koloniën bijdraagt aan de uitgaven voor de marine, die het zoowel personeel als materieel verschaft, om ons gezag in de overzeesche bezittingen te handhaven en om ze zoo noodig te verdedigen ; maar, ik zeide het reeds bij de behandeling der begrooting voor Koloniën, de hoofdzaak is voor mij dat onze weermiddelen ter zee spoedig in goeden staat komen en niet hoeveel daartoe precies uit den