is toegevoegd aan uw favorieten.

De weegschaal, 1828, no 3

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( ioi )

Maar niet slechts bij vorsten, ook bij alle mindere magthebbers heeft eene zekere helling plaats, om hun gezag te vermeerderen, en daar het gezag een afkeer heeft van alle beperkingen, en zichongaarn aan banden gelegd ziet, zoo gebeurt het, dat elke autoriteit, zoo wel regterlijke als administrative, zich m het ongedeelde en algeheele bezit wenscht te stellen van alle magt, die in den staat uitgeoefend wordt. Openlijk alle banden te slaken, en plotselijk naar het volstrekte gezag te staan, zrjn ondernemingen, die hoe zeldzaam ook, echter, door de ondervinding bewezen worden, gebeurelijk te zijn. Maar aan den anderen kant, kan de magt des volks, die de magt van den vorst beperkt, geen gevolg hebben, dan voor zoo verre dezelve in beweging gebragt wordt. Door den vorst moet men hier verstaan allen, die, onder welken titel ook, aan het hoofd van zaken gesteld zijn. Daarom vorderen zoo wel de veiligheid van den staat als van elk' bijzonder' ingezetene, de grootste voorzorgen in het vestigen van die noodwendige magt, zonder welke geene veiligheid bestaan kan: de magt om straffen opteleggen. De eerste voorzorg, die men behoort te nemen , eene voorzorg, zonder welke het zelfs eene onmogelijkheid wordt om er de gevaren van te voorkomen, is, dat zij nimmer moet overgelaten worden aan de beschikking, of zelfs aan den invloed van die autoriteit in den staat, welke de openbare magt, de sterke hand bestuurt.

Eene andere onmisbare voorborg is, dat de magt, welke straffen oplegt, ook nimmer hare plaats moet vinden in de wetgevende magt; en deze voorzorg, zoo noodig in eiken staat, is zulks nog meer, wan-