is toegevoegd aan uw favorieten.

De weegschaal, 1828, no 7

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 302 )

Jeremxas bentham, verdeelt de ondergeschikte bewijzen in twee hoofdklassen: i°. Extrajudicieele bewijzen bij geschrifte; 2°. niet oorspronkelijke of aangebragte bewijzen. Hij bevlijtigt zich, om de gebreken te doen uitkomen, welke de inferioriteit, de ontoereikendheid dezer bewijzen kenbaar maken, en de kenmerken, die dezelve wezenlijk onderschei! den van de preuves circonstancielles. De daadzaak waarvan deze onmiddellijk het bestaan, aanwijzen, i' niet de hoofdzaak, le fait principal (het feit, welks bestaan men aan den regter wil beweren); maar, hoezeer ook onderscheiden van deze laatste, is het feit, hetwelk zij daarstellen, zoo naauw verbonden met die hoofddaadzaak, dat men hetzelve kan beschouwen, als uitmakende een min of meer sterk bewijs van die hoofddaadzaak. In het geval der bewijzen, welke ondergeschikt geacht worden, is het feit, hetwelk men als bewijzend (probant) wil doen beschouwen, dat is htt feit, dat men op den voorgrond stelt als bewijsgrond, zoodanig, dat men daarin niet kan vinden den volkomen voldoenden waarborg van het punt, dat men wil daarstellen, of de existentie van het ware feit, dat bewezen moet worden. Dat een getuige verklare gehoord te hebben, dat titicjs verhaalde, hoe' deze met zijne eigen oogen gezien had den moord, welke in de beschuldigings-akte vernield staat, dan is het zeker, dat de verklaring van dien getuige, in zekeren zin, in verband staat tot het feit, waarvan het bewijs gevorderd wordt, te weten den moord. Maar er zijn twee verhalers tusschen dit laatste feit en den regter: de een, de gene, die de verklaring aflegt, is een wezenlijk en zeker persoon, die op