is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NOGMAALS DE EXAMENS DER ZEEOFFICIEREN. 543

trent de examens bij de marine voor den Hr. E. C. aanleiding was geweest een geheel nieuw programma voor het examen te ontwerpen. Welwillend stond de schrijver mij de inzage daarvan toe.

De laatste alinea van „in ruimeren en meer wetenschappelijken zin", was mij zeer zeker meer dan een phrase — mijn schrijven trachtte aan te toonen, waarom door de zeeofficieren zoo weinig waarde aan de examens wordt gehecht, aan meer bevoegden overlatende te overwegen hoe hierin te voorzien.

Als hoofdoorzaak der weinige waardeering van het examen werd door mij aangegeven het bestaan der gedachte, dat zelfs de grondige bestudeering van een groot gedeelte van dat wat voor het examen vereischt wordt weinig of niet bijdraagt om de vorming als zeeofficier (hierbij op de eischen voor oorlogstijd in de eerste plaats het oog vestigend) te voltooien.

Deze gedachte maakte zooals van zelf spreekt den lust tot studie niet bijzonder groot, terwijl zij die hard studeerden ten deele geleid werden door de hoog staande gedachte „wat ik doe wil ik goed doen", ten deele door de niet zeer hoog staande ijdelheid een hoogeren graad te willen halen. Het aantal van hen, die tot ingespannen studie werden gedreven door de gedachte dat alles wat gevraagd werd noodig was voor hun carrière, mag zeer gering genoemd worden.

Na lezing van het desbetreffende artikel van den hr. C. bemerkte ik met mijn wenschen voor het examen zoo lijnrecht tegenover den schrijver te staan, dat het mij niet ondienstig voorkwam mijn inzichten in dezen wat uitvoeriger bloot te leggen, waarbij ik evenwel hoop dat hierbij tevens zal blijken, dat ik voor een zeer groot gedeelte instem met de beschouwingen van den schrijver, voor zoover deze niet direct raken het examen-programma of de richting waarin hem ontwikkeling noodig voorkomt.

Vooraf een enkele opmerking.

Mocht ook op anderen het door mij geschrevene den indruk gemaakt hebben dien de hr. C. daarvan blijkbaar verkreeg, te weten dat de door mij veroordeelde wijze van examen doen op rekening der examinatoren moet worden gesteld, zoo wilde ik dit gaarne aan een onvolledige wijze van uitdrukking zien toegeschreven. Het is m. i. wel degelijk het examen-programma dat een ieder dwingt alle kleinigheden, en alle, ook de m. i. minder gewenschte theoretische beschouwingen, au fond te bestudeeren, terwijl hoogst noodige zaken geheel en al over het hoofd worden gezien.

Aan het einde zijner beschouwingen gekomen zegt de hr. C. : „ziehier een programma dat zeker den naam van wetenschappelijk mag dragen zonder" enz. Dit woord wetenschappelijk qualificeert dunkt mij geheel de strekking van het voorgestelde programma, en juist dit meerdere wetenschappelijke is voor mij een reden van weinig ingenomenheid met het voorstel.

Voor het juist weergeven van mijn bedoeling veroorloof ik mij met een enkel woord de opleiding (in dezen zin) van de officieren even na te gaan.

Op het Instituut is het onderwijs op dien voet ingericht, dat