is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

578 marinêbegbootiïg- voor het dienstjaar 1897.

aangehaalde woorden, twee jaren geleden door hem geschreven in eene Memorie van Antwoord. Het geldt thans immers niet het verkrijgen van _ een votum der Kamer ter goedkeuring van een door de Kegeering aan haar voorgedragen plan van organisatie der zeemacht. Maar het geldt de voldoening aan het rechtvaardig verlangen der Kamer, om bij aanvragen van fondsen voor den aanbouw van oorlogsschepen een vast plan van organisatie der zeemacht voor zich te hebben, ten einde, in verband met dat plan, de aannemelijkheid der aanvragen van fondsen te kunnen beoordeelen.

Hoever de Kamer wil gaan in de beoordeeling van de ontworpen organisatie en van de daarvoor aangevoerde motieven heeft zij natuurlijk zelve te beslissen. Dat de ondergeteekende de daaromtrent in het Voorloopig Verslag gemaakte opmerkingen zeer waardeert, zal hij nauwelijks behoeven te zeggen. Hij zal die opmerkingen thans beantwoorden.

De opmerkingen betreffen:

I. het organisatieplan in zijn geheel;

II. het aandeel van de zeemacht in de landsverdediging en de handhaving van de neutraliteit in het moederland;

III. de samenstelling van de zeemacht in Nederlandsch-Indië;

IV. enkele andere punten.

Ad. I. Aangaande het organisatieplan in zijn geheel wordt in het Voorloopig Verslag gezegd, dat er leden waren, die tusschen de hoofdlijnen van de thans voorgestelde organisatie en die van vroegere Ministers continuïteit erkenden, terwijl andere leden de aanwezigheid daarvan ontkenden.

Ten opzichte van continuïteit moet onderscheid gemaakt worden tusschen opvatting van de taak der zeemacht en van het daarvoor noodige materieel in algemeenen zin.

Wat continuïteit in de opvatting van de taak der zeemacht in Europa aangaat, zij er aan herinnerd, dat de Minister van Marine Pels Rijcken in de Memorie van Beantwoording op het Voorloopig Verslag over de begrooting voor 1867 als zijn inzicht, steunende op de voorstellen van de Commissie tot kustverdediging van 1864, deed kennen, dat het materieel der Nederlandsche marine onder meer bestemd behoorde te zijn in tijd van vrede tot het handhaven van de neutraliteitsrechten van den Staat; in tijd van oorlog, tot het verdedigen van onze kusten, zeegaten en rivieren en tot het verhinderen van blokkade onzer havens.

Niet alle volgende Ministers formuleerden hunne denkbeelden over de plichten der zeemacht. Van verschil van gevoelen deden zij echter niet blijken, hetzij dat zij zich als de Ministers Brocx en Tromp beriepen op de gedachtenwisseling van hunne voorgangers met de Volksvertegenwoordiging, hetzij dat zij andere termen kozen om hunne inzichten te ontwikkelen.

De militaire handelingen der zeemacht, ter uitvoering van hare taak, kwamen uit den aard der zaak weinig ter sprake. Ondergeteekende meent evenwel dat, mocht in sommige oogenblikken van