is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CIC-,

MARINEBERGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1897.

kende, ook na ingewonnen bericht, niet bekend. Blijkens door den commandant van het Instituut verstrekte inlichtingen is van de zijde der adelborsten geen enkel verzoek bij hem ingekomen om hulp van een leeraar bij het inhalen van verzuimde lessen. Ook van ouders of voogden zijn dergelijke verzoeken niet door hem ontvangen. Daarentegen kwam wel voor dat een leeraar verzocht om een adelborst in de gelegenheid te stellen bij hem het verzuimde te kunnen inhalen en werd hiertoe natuurlijk toestemming verleend. Volgens art. 55 van voormeld huishoudelijk reglement zijn de eigen oefeningen der adelborsten in beginsel vrij en er hebben zich nog geene omstandigheden voorgedaan sedert den aanvang van den cursus in de eerste dagen van September jl. om tot de toepassing van de 1ste alinea van gemeld artikel over te gaan. De ondergeteekende kan dan ook niet gissen wat aanleiding heeft gegeven tot het tweede gedeelte der klacht. Kan uit het vorenstaande blijken, dat er voor den ondergeteekende geene aanleiding bestaat om den ijver, de goede plichtsbetrachting en de toewijding van het leeraarspersoneel in twijfel te trekken, gaarne wil hij de verzekering geven dat gepreciseerde klachten, op welke wijze ook te zijner kennis gebracht, streng door hem zullen worden onderzocht en dat leeraren, die blijken de volle geschiktheid te missen of verloren te hebben, niet in hunne betrekking zullen worden gehandhaafd.

Ten zeerste wordt door den ondergeteekende betreurd dat het afkeurenswaardig „baren" der adelborsten van het jongste jaar onlangs weder het hoofd heeft opgestoken. Onmiddellijk nadat de anonieme klacht in een der dagbladen dienaangaande te zijner kennis is gekomen — andere klachten zijn niet ingebracht — heeft hij een onderzoek bevolen en strenge maatregelen doen nemen om dit misbruik tegen te gaan en het toezichthoudend personeel vervult zijne taak, naar ontvangen mededeeling, met lofïelijken ijver. De ondergeteekende houdt zich dan ook overtuigd dat het kwaad blijvend zal worden gekeerd.

Art. 40. ^ooals steeds geschiedt wanneer oorlogsschepen, na eene eenigszins langdurige reis, restanten levensmiddelen tehuis brengen, werden ook de restanten levensmiddelen welke de „Johan Willem Friso", bij binnenkomst uit Indië, aan boord had, door eene commissie onderzocht. Dit onderzoek leidde tot een gunstig resultaat; alleen het harde brood en de beschuit werden door eene minderheid in de commissie niet meer geschikt voor gebruik geoordeeld. In verband met het in het Voorloopig Verslag genoemde gerucht, liet de ondergeteekende bedoelde restanten door den scheikundige der zeemacht chemisch en microscopisch onderzoeken. Dit onderzoek toonde aan dat de in blikken geconserveerde spijzen en het meel zeer goed waren, het hard brood en de beschuit geen teekenen van bederf vertoonden en de groene erwten, boonen, gort, en rijst, hoewel zooals altijd het geval is bij dergelijke artikelen als zij eenigen tijd aan boord van een schip zijn geborgen geweest —, van minder goede qualiteit, toch geschikt waren voor gebruik.