is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGING.

645

Het plan van dezen Minister en het Koninklijk besluit van Juli 11. strekt om de Kamer vast te leggen aan de uitvoering van het plan totdat daaraan de volle 80 millioen zijn besteed; het strekt evenmin om ieder volgend Minister te verbieden eenig ander schip te bouwen dan die in dat plan geschetst; maar het dient, naar mijne opvatting, wel om volgende Ministers een regel te stellen waaraan zij zich hebben te houden, totdat zij afwijkingen willen voordragen, die zij voor hunne ambtgenooten en deze Kamer behoorlijk weten te motiveeren.

Dit is in mijn oog de strekking van dit plan en van het Koninklijk besluit van Juli 11., die bovendien dit bijkomstig nut hebben, dat wij hier niet langer elk jaar hebben aan te hooren langdurige bespielingen over marine-techniek in deze Vergadering, waarin slechts enkelen zijn, volkomen bevoegd om over het onderwerp een oordeel te vellen, en niet velen, die er met genoeg gezag en onafhankelijkheid over stemmen kunnen.

Ziedaar, waarom ik mij met het plan door dezen Minister ontworpen wensch te vereenigen. En hen, die het meest beducht waren voor den te sterken band, dien dit plan aanlegt, en nu nog hun schroom niet opgaven, raad ik aan nog eens goed te herlezen wat in de Memorie van Antwoord voorkomt op de bladz. 1 en 2, en wat van zooveel belang door mij wordt geacht, dat ik het wenschelijk reken het nader aan te duiden.

„Natuurlijk" — lezen wij op bladz. 1 — „kan een plan van organisatie, bij algemeenen maatregel van bestuur vastgesteld, voor de Volksvertegenwoordiging niet meer bindend zijn dan zij zelve wil. Maar het moet voor de Volksvertegenwoordiging, zoo dikwijls zij gesteld wordt voor aanvragen van fondsen voor den aanbouw van oorlogsschepen, waarde hebben, die aanvragen te kunnen beoordeelen niet enkel in hare partieele beteekenis, maar ook in haar verband tot de geheele samenstelling onzer vloot, gelijk de Regeering zich die bij hare aanvragen denkt; en daartoe zal een algemeene maatregel van bestuur, houdende vaststelling van eene organisatie der zeemacht, haar in staat stellen. Eene volstrekte vastheid die medebrengt onbewegelijkheid, of zelfs maar te groote moeilijkheid van beweging bij veranderde omstandigheden, zou niet wenschelijk zijn, en daarom is er bezwaar tegen vaststelling van de organisatie der zeemacht bij de wet, — de eenige vorm waarin eene reo-eliiig zou kunnen worden getroffen, bindende èn voor de Reo-eering èn voor de Volksvertegenwoordiging." Verder lees ik op bladz. 2:

„De eenige beteekenis van de vaststelling van een plan van organisatie in dat systeem wordt gebracht in het doen van uitgaven. Eene volgende Kamer blijft even vrij als de tegenwoordige Kamer is, om te beoordeelen of zij de fondsen wil toestaan die de Regeering vraagt om het volledig toegelicht plan van organisatie uit te voeren. En ook eene volgende Regeering zal wijziging kunnen bren»en in de vastgestelde organisatie, maar zij zal daarvan rekenschap moeten geven."

En eindelijk: „Het geldt thans immers niet het verkrijgen van