is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslaging.

697

Bovendien echter; is het wel volkomen juist, dat het thans een in elk opzicht bekend type geldt, hetwelk reeds elders met beslist gunstigen uitslag gebouwd is en hetwelk men eenvoudig heeft na te bouwen? Ik zelf vermag het niet te beoordeelen; maar zeker is het, dat een erkend deskundig man dit betwist in een artikel, hetwelk de meesten onzer vermoedelijk in het ochtendblad van de „Telegraaf" van heden zullen gelezen hebben. Ik bedoel den voormaligen commandant van een van de „Kortenaer"schepen, den heer Jansen van Apferden, van wien wij vernemen, dat het hier niet betreft het eenvondig namaken van een bekend type, maar een mixtum compositum van verschillende typen der Engelsche marine. Hij schrijft: „Wij oreëeren daardoor dus weer een ei-en type, wat waterverplaatsing aangaat, ongeveer midden-evenredig tusschen de „Latona" en de „Astrea", namelijk 8900 ton, maar wat diepgang aangaat veel te dicht naderend tot het bij de Engelschen afgekeurde type".

Het is bezwaarlijk te gelooven, dat, wat de feiten betreft — ik laat de appreciatie daar — een man, die een naam heeft te verliezen als de heer Jansen van Afferden, ze onjuist zon voorstellen. En ik moet daarom aannemen, dat er alle reden is om te twijfelen, of men een bepaald gegeven model eenvoudig navolgt, dan wel of men van verschillende modellen iets samenstelt, waaromtrent slechts de ervaring uitspraak kan doen, of het aan de verwachting zal beantwoorden.

Hadden wij nu hier te doen met schepen, die de Regeering voor het eerst van dezelfde soort in aanbouw wenschte te nemen, ik zou ze niet alle drie weigeren; ik zou dan slechts vragen, hoe durft men, na de ervaring met het „Kortenaer-type", nu weer drie schepen te gelijk op stapel zetten, in plaats van te beginnen met één, om te zien, hoe het uitvalt ?

In het voorbijgaan zij opgemerkt: het schijnt altijd met drie te gelijk te moeten: in 1892 de drie schepen type A, later de drie schepen: „Holland", „Zeeland" en „Friesland", en nu alweder een drietal; zou het soms zijn, omdat wij drie werven hebben in Nederland, de Rijkswerf en twee particuliere werven, en omdat telkens deze drie wat moeten hebben?

Ik herhaal, hadden wij hier te doen met schepen van een type hetwelk voor het eerst in aanbouw moest wordon genomen, de voorzichtigheid zou in allen gevalle gebieden, met één te beginnen. Maar de zaak ligt anders. Thans zijn in aanbouw drie schepen, gelijk aan het drietal, dat de Regeering er aan toe wil voegen. De drie zullen binnen korten tijd worden afgewerkt, het eene schip spoediger dan de twee andere. Gaat het dan aan, is het niet roekeloos, na de ervaring, die wij met de schepen van 1892 hebben opgedaan, dadelijk maar weder 9 millioen te voteeren — het is of de millioenen even zooveel duizenden zijn — die misschien ook weder blijken zullen besteed te zijn aan schepen, welke een ieder teleurstellen en later met nieuwe geldelijke offers verbeterd moeten worden om ze min of meer bruikbaar te maken ? Is het niet integendeel een eisch van gezond verstand en van be-