is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGING.

715

erkennen dat de uitdrukking »de" in het Verslag den Minister aanleiding kon geven op te merken dat er gegeneraliseerd was. De Minister zegt, dat de klacht misschien slechts betrekking had op één geval, waarin de orde niet in orde was, het feit, zegt Zijne Excellentie, was «dat een der leeraren, die, nog niet hersteld van eene ernstige ziekte gedurende het verlof, zich niettemin in staat achtte les te geven, doch verzocht heeft om een officier in de les te mogen hebben, ten einde hem behulpzaam te zijn in het bewaren van de orde. Is dit zoo, dan is het feit niet ernstig."

Neen, ernstig niet, maar wel kinderachtig, Mijnheer de Voorzitter, in elk geval een bewijs van weinig zelfvertrouwen. Wanneer een officier nog half ziek in eene leerzaal komt, en de jongelieden zijn, terwijl zij dit weten, zoo verregaand wreed den half zieken man te plagen, dan getuigt dit niet van een goeden geest. De ouden kenden reeds het spreekwoord: «de jeugd is zonder medelijden", maar dit gaat te ver. Wanneer die leeraar anders goed orde kon houden, ware het beter geweest dat hij nog een paar weken was weggebleven en men het zoolang zonder hem had gered.

Verder was er in de sectiën op aangedrongen dat nadere informatiën mochten worden ingewonnen over het zoogenaamd baren of groenloopen aan het Instituut. De klachten waren van ernstigen aard, en ik heb mij de moeite gegeven daarnaar zoo goed mogelijk een vrij ruim onderzoek in te stellen en mij is gebleken dat het dit jaar niet erger en niet beter is geweest dan in voorgaande jaren, en dat er bij het ontvangen van nieuwelingen gebruiken bestaan die niet in overeenstemming zijn met den aard en het wezen van het Instituut, noch met beschaafde manieren. Niet dat ik er tegen ben dat menschen die pas in de wereld komen kijken, dat groenen, in figuurlijken zin, een beetje door de spitsroeden loopen, dat kan voor menschen die student moeten worden volstrekt geen kwaad, evenmin als voor ieder ander. Integendeel, zij die voor den handel worden opgeleid zouden er voor hun volgend leven even goed van kunnen profiteeren.

Voor pedante, eigenwijze jongens, die, denken ze, de wereld reeds in erfpacht hebben, is het „groenloopen" vaak een probaat werkend koud bad. Maar dit ontbolsteren en afkoelen moet gaan door intellectueele middelen, door superioriteit van den geest, niet van de vuist.

En wat gebeurt hier? Hier worden lichamelijke mishandelingen gepleegd tegen de pas aangekomen jongelui, en wel sedert jaar en dag. Die jonge menschen worden getrakteerd op menig „kopkaantje". De Minister zal weten wat „kopkaantjes" zijn, en voor de heeren, die het niet weten, diene, dat „kopkaantjes" daarin bestaan, dat het menschenkind, dat „baar" of «groen" heet, door de ouderen met de knokkels van de twee voorste vingers op het hoofd wordt gewreven en getikt, zoolang men dit goedvindt.

Ik vraag of dit eene handeling is, die men ridderlijk of M. '96—'97. 48