is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BERAADSLAGING.

721

woord te spreken over het stoomloodswezen of, om de juiste terminologie van het Voorloopig Verslag te gebruiken: over vervanging van zeilvaart door stoomvaart bij het loodswezen.

De Minister spreekt in zijn Antwoord op het Voorloopig Verslag van uitbreiding van den stoomloodsdienst. Maar al wordt die uitdrukking, vermoedelijk niet zonder bedoeling, in 25 regels druk 5 malen herhaald, zoo wordt zij daarmede niet juist. Waar wij geen stoomloodsdienst bezitten, kan van uitbreiding geene sprake zijn.

Met groot genoegen bemerkte ik uit het Voorloopig Verslag, dat ik ditmaal niet alleen stond, maar dat van verschillende zijden op stoomloodsdienst werd aangedrongen. Dit geeft mij moed voor de toekomst. Het is waar, volgens het Voorloopig Verslag waren er andere leden die opponeerden, en ik meen uit het antwoord van den Minister te moeten opmaken, dat hij zich vereenigt met de door deze leden aangevoerde argumenten. Daarom zal ik kortheidshalve, om eene eventueele repliek onnoodig te maken en in ieder geval om kortheid daarvan te kunnen betrachten, reeds nu te gelijk beantwoorden de argumenten die door den Minister speciaal op den voorgrond zijn gebracht en de argumenten in de afdeelingen door verschillende leden aangevoerd.

Eene groote rol speelt in de gewisselde stukken van deze Kamer het verslag van den vice-consul te Dover. De Minister heeft wel getracht de beteekenis van dat verslag te verzwakken, door ons toe te zeggen eene verbeterde editie, eene rectificatie van dat verslag. De vice-consul te Dover zou verzuimd hebben melding te makeu van een tweede stoomschip, eveneens te Dungeness in gebruik voor den loodsdienst. Ik moet erkennen zeer benieuwd te zijn naar die rectificatie van den vice-consul te Dover, want als wij die zoogenaamde rectificatie ontvangen zullen hebben, dan zal ik voor mij daarin eene les ontvangen hebben in hoffelijkheid door den vice-consul tegenover den Minister betracht. En wat mij aangaat, indien ik in de plaats van dien vice-consul ware, ik zou — en waarschijnlijk zoude dit zeer verkeerd zijn — tot den Minister zeggen: mag ik Uwe Excellentie verzoeken mijn rapport nog eens na te lezen ? In de eerste zinsnede van mijn rapport spreek ik van stoomschepen (dus in het meervoud) en later vermeld ik dat de dienstdoende stoomboot slechts 14 dagen op zijne standplaats blijft. Terwijl alles er op wijst dat er een onafgebroken dienst is, volgt daar toch vanzelf uit dat ik niet het vermoeden opgewekt zou hebben alsof er slechts één stoomschip gebezigd werd.

Trouwens, de vice-consul zou er verder op kunnen wijzen, dat reeds in 1892 in het tijdschrift „De Zee" eene uitvoerige beschrijving gestaan heeft van het stoomloodswezen in Dover en dat daar duidelijk gesproken wordt van twee stoomschepen. En hij zou er bij kunnen voegen, hetgeen den Minister niet bekend kon zijn, dat de inlichtingen die hij toen aan belanghebbenden verstrekte en waarnaar de schrijver verwees, bijna woordelijk dezelfde zijn die nu in het rapport voorkomen. Waar deze Minister die in mijn oog niet bestaande leemte niet alleen heeft opgemerkt, maar er