is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 8]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7.30

marinebegrooting voor het dienstjaar 1897,

Voorzitter! De geachte afgevaardigde uit Rotterdam, de heer Pi.ate, heeft opnieuw uitbreiding van den stoomloodsdienst verlangd ; de geachte afgevaardigde zegt, dat het woord uitbreiding niet goed gekozen is; maar aangezien nu en dan stoombooten worden gebruikt voor den dienst, meen ik dat liet woord niet misplaatst is.

De geachte afgevaardigde heeft nader gesproken over het rapport van den vice-consul te Dover over den loodsdienst te Dungeness, en gezegd, dat meer dan eene stoomboot voor den loodsdienst aldaar werd gebruikt.

Het is intusschen een feit, dat de vice-consul te Dover de kosten van dat tweede stoomschip niet in rekening heeft gebracht bij de kosten die hij heeft opgegeven. Hoe dit zij, de rectificatie van dit rapport zal binnenkort verschijnen en de geachte afgevaardigde zal daaruit nadere inlichtingen ontvangen.

Wat Hamburg betreft, binnenkort zal ook een rapport verschijuen omtrent het loodswezen zooals dit ingericht is in Duitschland, en daaruit zal blijken, dat te Hamburg voor den dienst van het Staatsloodswezen gebruikt worden twee loodsgaljoten, dus zeilvaartuigen, zes loodsschoeners, dus ook zeilvaartuigen, en eene loodsstoomboot. De dienst wordt daar dus gedaan door een stoomschip en verder door zeilvaartuigen. Volgens die opgave hebben de kosten van het onderhoud van de vaartuigen, daaronder begrepen de bezoldiging van het scheepsvolk, in het afgeloopen jaar bedragen 150 000 Mark, en dat vele schepen door zeilvaartuigen geloodst worden, blijkt uit de volgende opgave: van 8016 schepen die van loodsen werden voorzien, werden 3222 door de loodsgaljoten en den loodsstoomer en 4791 door de loodsschoeners geloodst. Het blijkt dus dat het zeilloodswezen te Hamburg eene zeer voorname plaats inneemt, zooals naar mijn gevoelen ook het geval zal moeten zijn wanneer de stoomloodsdienst bij den Hoek van Holland wordt uitgebreid.

De geachte afgevaardigde is voorbijgegaan het oponthoud van schepen die tengevolge van het niet-uitbreiden van den stoomloodsdienst tijdig geene loodsen hebben kunnen krijgen. Dit oponthoud is dan ook inderdaad zeer luttel. Ik heb hier eene opgave van het totaal aantal schepen dat in de laatste drie jaren en tien maanden den Waterweg is binnengekomen.

Dat getal beloopt 20 903 en van dat getal schepen hebben slechts 9 eenig oponthoud gehad, omdat zij niet dadelijk door een stoomschip van eenen loods konden worden voorzien, en 47 schepen hebben geen loods kunnen krijgen, omdat de .stoomloodsdienst niet was uitgebreid, zooals de geachte afgevaardigde dit wenscht. Mij dunkt dat die cijfers zeer welsprekend zijn.

Nu heeft de geachte afgevaardigde als argument voor den stoomloodsdienst aangevoerd het gevaar voor menschenlevens.

Hij heeft ook een voorbeeld aangehaald namelijk het geval van den schoener «Rheynhold". Het spijt mij, dat de geachte afgevaardigde niet gezorgd heeft, dat aan dit geval herinnerd werd in het Voorloopig Verslag, want dan zou ik in de gelegenheid