is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beraadslaging. 867

rapport nedergelegd, doch behield zich verschillende reserves voor omtrent de middelen welke door die commissie waren noodig geacht en maakte zich geheel los van de door den toenmaligen chef van den marinestaf noodig geachte scheepsmacht. Omtrent die scheepsmacht is dan ook nog niets beslist. Ware dit wel het geval, dan. zou het niet meer noodig zijn om deze alsnog bij algemeenen maatregel van bestuur vast te stellen.

Ik heb bij de algemeene beschouwingen betreffende de Staatsbegrooting reeds gezegd, dat verdediging van de haven van Tandjong Priok in hoofdzaak zal moeten geschieden door de landmacht, daar maritieme middelen die haven niet alleen kunnen verdedigen. Daaromtrent zijn dan ook plannen in overweging. Wat Soerabaija betreft, is de omstandigheid dat de vaarwaters, die daarheen leiden, weinig diep zijn, oorzaak, dat wij daar in veel gunstiger omstandigheden verkeeren. Bezitten wij daar eenige torpedobooten, en mogelijk, zooals de geachte afgevaardigde uit Zuidholland, de admiraal van Alphen aangaf, ook enkele blokschepen tot verdediging, dan zal geen vijand het licht wagen zijne schepen, die slechts bij hoogwater naar binnen en weder naar buiten kunnen, daarheen te zenden. Blijvend bezetten zal hij Soerabaija niet, want hij zou daardoor de bewegingen van zijn eskader verlammen en bovendien, het zou ons niet moeilijk vallen om met het leger hem weder van die plaats te verdrijven en bij een aanval, met het doel onze etablissementen aldaar te vernielen, kan hij weinig winnen, wel veel verliezen; met een bombardement zou hij munitie verspillen, die hij wel beter kan gebruiken; komt de vijand met een sterk eskader en eene landingsvloot, waaraan ik niet geloof, evenmin als de geachte admiraal van Alphen, zoolang onze kruisers nog valide zijn, ■dan ligt het voor de hand, dat hij zich wenden zal tot het hoofdobject, namelijk de vermeestering van den bestuurszetel op West-Java.

Ik meen in het voorafgaande wederom opnieuw duidelijk te hebben gemaakt wat de Regeering met de zeemacht in Indië beoogt en waarom zij kruisers daarvoor bestemt.

De heer van Alphen acht kruisers alleen niet voldoende, maar wanneer ik naga wat door dien geachten spreker daaromtrent is gezegd, dan kan ik mij vooreerst niet vereenigen met zijn sustenu, dat wij in Indië zoowel te land als ter zee ons tegen eiken aanval zouden moeten verdedigen. Dit is een eisch, die te groot is voor onze krachten en ons zou leiden tot uitgaven, die wij niet zouden kunnen dragen, terwijl wij bovendien het materieel niet zouden kunnen bezitten noodig om aan dien eisch te voldoen.

De geachte admiraal heeft verder gezegd, dat wij in Indië geen zware slagschepen te wachten hebben, maar zwakkere pantserschepen; maar, Mijnheer do Voorzitter, er worden in den vreemde geen pantserschepen gebouwd, dan die bestemd zijn om slag te leveren in open zee, dat zijn schepen van ongeveer 10 000 ton waterverplaatsing. De kleine pantserschepen die gebouwd worden', zijn kustverdedigingsvaartuigen, ongeveer als of iets grooter dan onze schepen type .Kortenaer", maar welke pantserschepen de admiraal hier be-