is toegevoegd aan uw favorieten.

Marineblad jrg 11, 1896/1897 [volgno 9]

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

874 marinebegrooting voor het dienstjaar 1897.

De heer Van Alphen: Mijnheer de Voorzitter! In de eerste plaats een woord van dank aan den geachten afgevaardigde uit Zuidholland, den heer Fransen van de Putte, voor de welwillende en waardeerende woorden tot mij gericht, betreffende de diensten vroeger door mij bewezen bij de reconstructie van de vloot voor Indië, bij den aanvang van den Atjeh-oorlog. Ik stel die woorden op hoogen prijs.

Tegenover den Minister van Marine wensch ik alleen een paar zaken toe te lichten, welke de Minister niet goed schijnt begrepen te hebben. Ik heb volstrekt niet willen beweren, dat wij ons aan den wal op Java en onze maritieme verdedigingsmiddelen, zóó versterken kunnen, dat wij iederen denkbaren aanval zouden kunnen afslaan; maar alléén, dat wij ons moeten voorbereiden om ons krachtig te verdedigen tegen iedere aanranding die daar, naar menschelijke berekening, verwacht kan worden. Nu blijft de Minister er bij, dat hij daarvoor de kruisers prefereert boven pantserschepen, en haalt daartoe aan, dat die schepen zóó geschikt zijn om een vijandelijk eskader met eene vloot van transportschepen te harceleeren.

Ik heb reeds gezegd, dat ik volstrekt niet verwacht, dat eene dergelijke vloot met een landingsleger in Indië zal komen, om de groote bezwaren die daaraan verbonden zijn, maar tevens betoogd dat wij wél te duchten hebben een eskader van een der groote Mogendheden, bij voorbeeld uit hun station in China. Zulk een eskader zal mijns inziens zeker bestaan uit pantserschepen, kruisers en torpedovaartuigen, en zulk een eskader zou het onze wellicht kunnen dwingen tot slaan.

Wanneer nu ons eskader alleen bestond uit kruisers en deze door eens combinatie van pantserschepen, kruisers en torpedobooten werden bestreden, zoude onze zeemacht van slechte conditie zijn.

Nu beweert de Minister, dat de vreemde Mogendheden geen kleine pantserschepen hebben. Ik heb de gegevens daaromtrent niet bij mij, maar uit mijne tabellen blijkt zeer zeker, dat de grootste pantser- of slagschepen, ik spreek hier niet van die bestemd voor kustverdediging, eerst van den laatsten tijd zijn, maar dat in die van vroegeren aanbouw een geregelde climax is vanaf 4000 ton tot de 14 000 ton van tegenwoordig.

Die zware slagschepen hebben wij niet in Indië te wachten, maar wel de kleine gepantserde schepen, en tegenover een eskader van die pantserschepen, kruisers en torpedobooten zouden wij, met ons wat de Minister noemt homogeen eskader, zooals ik reeds zeide, in ongunstige verhouding zijn.

De Minister heeft gezegd, dat hij het zeer zou waardeeren, wanneer ik hem nadere inlichtingen gaf omtrent de pantserschepen, zooals ik die in Indië zoude wenschen. Ik heb vroeger, zooals ik zeide, met den Minister daarover een kort onderhoud gehad, maar wanneer de Minister er toe mocht willen overgaan om pantserschepen voer Indië te bouwen, dan ben ik gaarne bereid hem daarover mijne zienswijze nogmaals mede te deelen.