is toegevoegd aan uw favorieten.

De weegschaal, 1828, no 13

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 583 )

weinige, wat men deswege zoude kunnen zeggen, is op ieder bijzonder geval niet dan met zeer vele wijzigingen toepasselijk.

Maar de ondervragende regter moet zich zorgvuldig onthouden, om aan den beklaagde belofte te doen, hetzij van geheele straffeloosheid, hetzij van min gestrenge straffen, in geval hij wil bekennen: vooreerst, omdat hij dan iets bélooft, hetwelk niet van hem afhangt, en ten andere, omdat de waardigheid des regters niet toelaat, dat hij met den beklaagde eene soort van contract aangaat, waarvan aan den kant des beklaagden, zijne bekentenis, ea van den kant des regters, de straffeloosheid of vermindering van Straf, de voorwaarde uitmaakt. Het is daarom, zoo als de ridder meyer elders te regt aanmerkt, dat de rekwesten van submissie, waarbij de beklaagde verklaart, gratie te verkiezen boven rigueur van justitie, strijdig zijn met alle gezonde beginselen van strafregt.

Wanneer de ondervragende regter reeds in het bezit is van alles, wat bestemd is of gediend heeft om de misdaad te bedrijven, b. v. de werktuigen , met welke braak of moord begaan is, dan is het allezins doelmatig , dezelve aan de beklaagden voor oogen te leggen ; zie Art. 35. Wetb. Crim. Inst. Het gedrag en de houding (zeggen zoo wel de boven aangehaalde beroemde Duitsche Criminalisten, als ook de Fransche regtsgeleerden carnot en merlin) , welke den regter, die het verboor doet, gedurende hetzelve voegt, moet de blijken dragen der grootste onpartijdigheid. Hij moet noch hardheid, veel min toorn en oploopendheid, noch ook weekheid en ongepaste toegevendheid aan