Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit de pees.

985

beteringen aandrong. Zijn betoog droeg helaas te dikwijls de sporen van een haat aan het officierscorps, waardoor het den Minister en de Kamer prikkelde en daardoor een deel van zijne uitwerking miste.

Aan het voorloopig verslag op de begrooting voor het dienstjaar 1899 voegde deze afgevaardigde een nota toe, waarin de grieven, welke z. i. tot het groote verloop onder het personeel leidden, werden aangegeven.

Hij klaagde o.a. over de lichtvaardige wijze van straffen, over het weinig verstandige optreden der officieren, die geen voldoende rekening hielden met de toeneming van de algemeene ontwikkeling der équipage en die haar uit de hoogte bejegenden. Ook klaagde hij over de inspectiën op Zondag - zeker een billijke grief.

Inmiddels was in het najaar van 1899 de bond van korporaals en mariniers „Willem, Joseph, baron van Gent" opgericht, welks doel met dat van den Matrozenbond overeenkwam. Ook de statuten dezer vereeniging verkregen — zeer tegen den zin en tegen het advies van den Minister Roëll - de Koninklijke goedkeuring.

De richting welke de bonden insloegen werd thans spoedig duidelijk. In den mariniersbond leerde een korporaal zijn ondergeschikten in eene openbare vergadering, dat zij — de vaksoldaten — daar waren tot bescherming van het kapitaal.

De Matrozenbond vroeg eerst den afgevaardigde Staalman op eene propaganda avond te komen spreken, doch toen diens antwoord uitbleef, werd het verzoek aan Henei Polak gericht, die verhinderd was, waarop de socialist Jan van Zutphen als spreker optrad.

Begin 1899 besloot het hoofdbestuur, waarvan Verstegen — lid der S. D. A. P. - voorzitter was, deel te nemen aan de landelijke meeting voor de in vrijheidsstelling van de gebroeders Hoogerhüis.

Kort daarop zou het vaandel onthuld worden, en besloot men in eene vergadering Ds. De Koe — zooals bekend eveneens socialist — als feestredenaar uit te noodigen. Door omstandigheden werd evenwel het besluit dezer vergadering niet uitgevoerd en sprak de voorzitter zelf de feestrede uit.

Op de eerste algemeene vergadering van het jaar 1900 kwam men overeen eene audiëntie aan te vragen bij den Minister van Marine, ten einde verschillende verbeteringen te bepleiten.

De audiëntie werd geweigerd ; de Minister wilde wel matrozen ontvangen, doch niet als afgevaardigden van den bond.

Hierop stelde men de grieven in een toegelicht request op, welk request - voorzien van een voorwoord en een naschrift tevens als brochure op de vloot verspreid werd.

Het antwoord van den Minister Roëll luidde: „Dat bij voortduring op de belangen van het geheele personeel der Koninklijke Nederlandsche Zeemacht werd gelet, doch dat de gewenschte veranderingen niet konden geschieden."

Sluiten