Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1126

OVER HET BEHEER VAN 'S RIJKSWERVEN

Als een der punten van de mij voor die reis door den heer Directeur van Scheepsbouw verstrekte instructie, werd mij opgedragen te onderzoeken of de, op het marine-etablissement te Soerabaja ingevoerde, commercieele boekhouding voor ons navolging verdient en hoe het technisch personeel over het nut daarvan oordeelt.

Het resultaat van dat onderzoek werd door mij neergelegd in een aan den heer Directeur van Scheepsbouw in Juni 1911 aangeboden rapport, hetwelk ik de eer heb in afschrift hierbij te voegen.

Het is mij in verband met de in dat verslag gemaakte opmerkingen bijzonder aangenaam in het verslag van het Marineetablissement over 1911 het volgende te lezen :

„Ben tweetal opmerkingen, welke van belang zijn bij de „beoordeeling van de cijfers der bedrijfsrekeningen van het „Marine-etablissement, vinden hieronder eene plaats.

„1. Voor de in de balans opgebrachte waarde der terreinen „van het Marine etablissement werden de verschillende bedrijfs„rekeningen tot nog toe met een rente van 'l°/0 belast. In „overeenstemming met het — bereids door de Staten Generaal „aangenomen — wetsontwerp tot regeling van de begrootingen „en rekeningen van Staatsbedrijven in Nederland zal in de „volgende jaren voor bedoelde terreinen geen rente meer in „rekening worden gebracht op grond van de omstandigheid, dat „voor die terreinen indertijd geen gelden uit 's Lands kas zijn „verstrekt.

„2. Bij de in 1907 en 1908 plaats gevonden waardebepaling „van het actief ten behoeve van de openingsbalans is voor de „gebouwen uitgegaan van hun intrinsieke waarde, daar geen „oorspronkelijke stichtingskosten bekend waren en voor de „machines, dokken en werktuigen voor zoover mogelijk van hunne „oorspronkelijke aanschaffingswaarde, verminderd met eene aan „den levensduur evenredige afschrijving".

Doch meen ik er op te moeten wijzen, dat wanneer de boekhouding voor die werf was ingevoerd op een meer practische en niet zuiver commercieele wijze, de kapitale som, welke thans is betaald voor het valoriseeren der terreinen, niet had behoeven te worden uitgegeven.

Waar meen ik dat ik in bovenstaand rapport voldoende mijne conclusie omtrent de niet wenschelijkheid van invoering van de zuiver commercieele boekhouding op 's Rijkswerven heb gemotiveerd, meen ik dat het hier nog geenszins overbodig is onder de aandacht te brengen, dat invoering eener zuiver commercieele boekhouding in de verste verte geen inzicht kan geven in het beheer op 's Rijkswerven en dat zulks met welke boekhouding dan ook nooit het geval zal zijn, tenzij de gegevens voor de beoordeeling van dat beheer op gansch andere wijze worden verzameld.

Ik meen er hier zeer in het bijzonder de aandacht op te moeten vestigen, dat er tusschen het beheer en het bedrijf op een werf een hemelsbreed verschil bestaat en dat deze beide

Sluiten