Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIT DE PERS.

„Weekblad van het Recht", Vrijdag 24 Jan. 1913. ARROND.-RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE. Burgerlijke Kamer. Zitting van den 9 December 1908. Voorzitter, Mr. H. A. van Rees. Rechter, Mrs. P. Polvliet en H. W. van Sandick. Aanvaring Hr. M.'s „Piet Hein" en het stoomschip „La Meuse".

De onder werpelijke verklaringen kunnen niet als scheepsverklaringen in aanmerking komen, nu zij zijn afgelegd voor den Consul van België, terwijl art. 380 W. v. K. voorschrijft, dat in eene haven voor het Kon. der Nederl. de scheehsverklaring moet worden afgelegd ten overstaan van den Kantonrechter.

Ook aan de verklaringen van eene commissie van officieren der Marine afgelegd door eenige officieren en matrozen der Piet Hein en een deel van de geredde bemanning der Meuse moet in casu alle bewijskracht -worden ontzegd.

De firma Adolf Deppe, gevestigd te Antwerpen, eischeres, procureur Mr. W. A. Teldees,

tegen

Den Staat der Nederlanden, gedaagde, procureur Mr. J. H. Teldees.

Interlocutoir.

De Rechtbank ; In rechte:

Overwegende dat tusschen partijen vaststaat dat in den nacht van 13 op 14 Juni 1906 omstreeks 12 uur in de Noordzee ten Westen van de Noord-Hollandsche kust niet ver van het Haaksvuurschip, het stoomschip „Piet Hein" van de Kon. Nederlandsche Marine het stoomschip „Meuse" toebeboorende aan eischeres heeft aangevaren met het gevolg dat de „Meuse" zeer spoedig gezonken is;

0. dat eischeres op grond dat die aanvaring alleen zou zijn te wijten aan schuld van de bemanning van de „Piet Hein", van gedaagde als daarvoor aansprakelijk schadevergoeding vordert bij repliek beperkt tot de waarde van schip met inventaris, kolen en provisiën benevens de onkosten en winstderving te zamen geschat op frs. 339.314.55 met rente;

0. dat eischeres die schuld uitsluitend grondt op het door haar gestelde feit dat de „Piet Hein" ten opzichte der „Meuse" was een oploopend schip, dat is dat de „Piet Hein" de ,',Meuse"

Sluiten