Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOK LAND- EN ZEEMACHT.

7

der zeemacht daartoe schijnt te nopen. Zij meenden, dat daarvoor krachtiger argumenten behoorden te worden aangevoerd dan in de Memorie van Toelichting geschiedt, waar alleen een beroep wordt gedaan op de gelijkheid, die thans in de pensioensbepalingen voor zee- en landmacht bestaat. De urgentie van dit deel van het voorstel, uit een defensie-oogpunt of met het oog op rechtmatige aanspraken der zeeofficieren, is in geenen deele aangetoond. Indien het slechts op overwegingen van billijkheid steunt, hadden gelijksoortige overwegingen ook moeten geiden bij de beantwoording van de vraag, of in dit wetsontwerp niet ook een verbetering van de pensioensbepalingen voor onderofficieren en minderen der landmacht, en als consequentie daarvan, tevens der zeemacht, op haar plaats ware.

Voorts maakten eenige leden de opmerking, dat, terwijl herziening der pensioenen voor de officieren der landmacht samengaat met een regeling van de positie der officieren in meer dan één opzicht, zij voor de zeeofficieren geheel op zich zelf staat. Zij vroegen, of het niet wenschelijk ware, ook voor de zeeofficieren het vraagstuk van salarieering en bevordering gelijktijdig met dat der pensioenen onder de oogen te zien. Of 'is 'de Regeering van oordeel, dat alleen voor het laatste punt aan een nieuwe regeling behoefte bestaat?

Door andere leden werd tegen het bovenstaande aangevoerd, dat de standpensioenen der zeeofficieren altijd voor het meerendeel gehjk zijn geweest aan, en te gelijk geregeld zijn geworden met, die van de officieren der landmacht en dat het een door niets gemotiveerde houding, ja zelfs een onbillijkheid zou zijn, thans van dit standpunt af te wijken en de zeeofficieren achter te stellen. De salarieering en bevordering der zeeofficieren heeft steeds verschild van die van de officieren der landmacht, al waren de standpensioenen gelijk, en naar het oordeel dezer leden bestaat er geen aanleiding thans het bedrag van de pensioenen der zeeofficieren wel aan de salarieering en bevordering te verbinden. Overigens ontkenden deze leden, dat de noodzakelijkheid van verhooging der pensioenen van de officieren der landmacht alleen haar oorzaak zoude vinden in het belang der verbetering der promotie, maar waren zij van oordeel, dat de pensioenen op zich zelf reeds lang als te laag moesten worden aangemerkt.

Verscheidene leden verklaarden zich teleurgesteld, dat de Regeering niet, te gelijk met deze verbetering van de pensioensbepalingen voor de officieren, verbetering van de standpem sioenen der onderofficieren en minderen heeft voorgesteld. Zy wezen er op, dat voor deze laatsten de pensioenen m ongunstiger verhouding tot de salarissen staan (daaronder verstaan het totaal der inkomsten) dan, na aanneming van dit wetsontwerp, voor officieren het geval zal zijn, ten bewijze waarvan o. a. de volgende staat werd overgelegd:

Sluiten