Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOOR HET DIENSTJAAR 1912.

05

zal noodig hebben, hetgeen te meer opvalt als men, een oog op de kaart slaande, zijn gedachten laat gaan over de groote uitgestrektheid onzer Oost-Indische bezittingen.

Verder kunnen de artillerieschepen zich door kolenschepen laten vergezellen en die naar een bepaalde plaats zenden, dan wel kolenschepen naar eene bepaalde plaats ontbieden om daar hunnen kolenvoorraad aan te vullen, overtuigd als ze zijn dat overal waar de artillerievloot zijne voorraden gaat aanvullen, zij zich door eigen artillerievuur tegen een eventueelen vijand kan verdedigen.

Voor de torpedovloot is deze handelwijze echter van meer beden kelijken aard omdat zij elke afdoende verdediging tegen de artillerieschepen van den vijand ontbeert.

Blijkens hetgeen op bladz. 14 omtrent het benutten der 6 jagers, welke ondergeteekende aan het Nederlandsch Eskader in Oost-Indië denkt toe te voegen, wordt vermeld, schijnt de steller der Nota de meening van ondergeteekende dienaangaande niet goed te hebben begrepen. Daarom wenscht ondergeteekende hier te vermelden dat met het toevoegen van de jagers uitsluitend beoogd wordt, die jagers als het ware als voelhoorns te doen dienen, doch als voelhoorns uitsluitend ten behoeve van dat eskader en verder om vijandelijke jagers te helpen bestrijden, die het eskader zouden trachten te bemoeilijken.

Er is dan ook door ondergeteekende niet aan gedacht om de jagers als eclaireurs in den ganschen Archipel te gebruiken ; daarvoor acht hij trouwens die vaartuigen te klein. Ze zouden dan ook door snelloopende moederschepen vergezeld moeten wezen, van welke zij van tijd tot tijd hunne uitgeputte bemanningen zouden kunnen verwisselen en welke moederschepen de middelen zouden moeten bezitten om de zoo dikwijls op het licht gebouwde torpedo-materieel voorkomende herstellingen aan ketels en werktuigen te verrichten, daar aan boord deijagers die middelen niet aanwezig zijn.

De jagers der artillerievloot zijn dan ook uitsluitend bestemd om binnen het bereik dier vloot te blijven; de schepen bezitten de middelen om aan bovengemelde behoeften tegemoet te komen.

Op bladz. 17 komt aan het slot der eerste alinea eene opmerking voor, die betrekking heeft op de door ondergeteekende gegeven cijfers en wordt vermeld dat het schijnt of daarin thans nog de fout wordt gemaakt dat bijv. niet wordt gerekend op den invloed, dien het verblijf in Indië op vroeger pensionneeren kan hebben.

Ondergeteekende wil hieromtrent aanteekenen dat de bedoeling van die opmerking hem ontgaat.

Op de Staatsbegrooting komt het totale bedrag der verdiende pensioenen voor, ook die tengevolge van het verblijf in Indië. Indien van dat bedrag een evenredig deel in rekening wordt gebracht voor het personeel dat op het door ondergeteekende

M.-Begr. 1912-1913. 5

Sluiten