Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

90

VERHOOGING V. H. VIDE HOOFDSTUK DER STAATSBEG ROOT ING

die twee bladzijden, de eerste en de laatste, drijft het schip van den Minister in de Memorie van Antwoord heen en weer; het beweegt zich tusschen de noodzakelijkheid van nieuwen aanbouw en het aanpassingsvermogen in alle vlootformaties, en naar de meening van den Minister is zijn schip daar volkomen veilig, omdat het voldoet aan hetgeen de Minister noodig acht.

Wel zegt de Minister, dat hij ook gaarne in Indië een vloot zou hebben van volwaardige pantserschepen en gepantserde kruisers, maar de Minister is van meening, en hij verdedigt die meening ook - ik kom daarop nader terug - dat de mogelijkheid daartoe niet bestaat, en dat zijns inziens de vraag practisch hierop moet neerkomen, hoe wij in verband met de financiën en het personeel een vloot kunnen verkrijgen, die zoo goed mogelijk voldoet aan de minimum-eischen, die de Minister stelt.

En welke minimum-eischen stelt de Minister dan? Ten eerste dat een schending van de neutraliteit voor den vijand gevaarlijk wordt, en ten tweede, dat een poging tot verovering van onzen Archipel kan worden bemoeilijkt.

In de Memorie van Antwoord van de begrooting voor 1912 zegt de Minister, dat het voorgestelde schip geschikt kan worden geacht tot de vervulling van de taak, die de Minister zich denkt, zelfs dat hij in het voorgestelde type gelukkig geslaagd is, zoodat hij gerust durft aanbevelen vier van die schepen als kern voor een Nederlandsch eskader in Indië te bestemmen met één schip als reserve. En op bladz. 17 van de Memorie zegt de Minister dat het schip voldoet aan alle eischen die thans bereikbaar en redelijk zijn, zoodat hij tot de slotsom komt dat hij den aanbouw van het schip dan ook niet mag opgeven.

Duidelijk bleek, toen de Minister dat schreef, dat hij, hoewel liever meer hebbende, zijn eskader voldoende achtte. Zelfs meende de Minister dat de Kamer wel een beslissing kon nemen op hetgeen door hem was medegedeeld, en op de ons bekende uittreksels uit de rapporten van den Gouverneur-Generaal en den commandant van de zeemacht.

En nu op het oogenblik, nadat na de verschijning van die Memorie van Antwoord nog verschillende stukken gewisseld zijn, is de Minister nu op dat standpunt blijven'staan? Het antwoord dat ik daarop moet geven, is tweeledig: ja en neen. Ja, in zooverre de Minister den aanbouw van het schip volhoudt, al zegt hij dat hetgeen hij met dit schip beoogt ook te bereiken zou zijn met grootere schepen; maar daarvan zegt de Minister dat die schepen van 15 000 ton, die nu door verschillende deskundigen worden gewenscht, ook niet opgewassen zullen zijn tegen dreadnoughts en groote pantserkruisers, en wanneer dat wèl het geval zou zijn, dan het aantal schepen des vijands toch weer grooter zou zijn; de Minister houdt dus daarom aan zijn schip vast. Maar anderszins moet ik die vraag ontkennend beantwoorden, daar de Minister zijn aanvankelijk plan eigenlijk

Sluiten